Advocatenkantoor ontslaat haar secretaresse ten onrechte op staande voet

24/05/2016

De rechtbank Noord-Nederland (zittingsplaats Assen) heeft onlangs een uitspraak gewezen over een secretaresse van een advocatenkantoor die op staande voet is ontslagen. Zij was werkzaam op een klein advocatenkantoor en verrichtte werkzaamheden voor de twee directeuren van dit kantoor. In de loop der tijd verslechterde de verhouding tussen beide directeuren, hetgeen er uiteindelijk toe heeft geleid dat beide directeuren hun samenwerking hebben beëindigd. Directeur X is in november 2015 bij het kantoor vertrokken en sinds 17 december 2015 is directeur Y weer enig directeur van het kantoor.

Het advocatenkantoor heeft de secretaresse in november 2015 een vaststellingsovereenkomst aangeboden ter beëindiging van haar arbeidsovereenkomst per 24 december 2015. Op 8 december 2015 wordt de secretaresse op staande voet ontslagen. De reden voor het ontslag op staande voet zou volgens het advocatenkantoor voortvloeien uit het onderzoek van directeur Y in de e-mailbox van de inmiddels vertrokken directeur X. Uit dit onderzoek zou blijken dat de secretaresse bij het boeken van privé-uitgaven van directeur X op de kantoorrekening niet alleen handelde op verzoek van directeur X, maar ook uit eigen beweging. De brief van het advocatenkantoor aan de secretaresse van 8 december 2015 vermeldt in dit kader: "[…] Een en ander blijkt met name uit bijgaande mail van u zelf van 29 april aan directeur X omtrent de kosten van het serviesgoed. Uit eigener beweging boekt u eerst maar op de paasaankleding, vervolgens op kantinekosten, uiteindelijk is het geboekt over verschillende grootboekrekeningen. Dit is niet op instructie van directeur X gebeurd. Dit heeft u zelf bedacht en verzonnen ".

De secretaresse betwist dat de door het advocatenkantoor genoemde gedragingen een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. Daarnaast stelt zij dat het ontslag niet onverwijld is gegeven. De secretaresse verwijst daarbij naar diverse voorbeelden, waaronder de verklaring van directeur X. Deze stelt dat zij altijd op zijn instructie en nooit op eigen initiatief heeft gehandeld. Daarnaast stelt de secretaresse, eveneens onder verwijzing van diverse voorbeelden, dat zij zowel in opdracht van directeur X als van directeur Y boekingen heeft verricht en dat het binnen het advocatenkantoor gebruikelijk was dat privé-aankopen – op instructie van de desbetreffende directeur – zakelijk werden geboekt. Omdat het advocatenkantoor de secretaresse op dusdanige wijze heeft behandeld en zij hiervan ziek is geworden, is het voor haar onmogelijk om nog terug te keren naar de werkvloer. Zij verzoekt primair om de betaling van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:681 BW en daarnaast doet zij subsidiair een beroep op de vernietiging van het ontslag.

Uitspraak rechtbank Noord-Nederland

De kantonrechter Assen deelt het standpunt van de secretaresse en verwijst daarbij naar het standpunt van de accountant van het advocatenkantoor. Die heeft in een brief aan advocaat Y gesteld dat "de constatering was dat beide partijen privé-uitgaven via de bankrekening van het advocatenkantoor lieten lopen, zij het dat de onttrekkingen van directeur X een veelvoud was de van de uitgaven van directeur Y." Volgens de accountant was er echter geen opzet om de directeur Y te benadelen: "Dit onrecht is je echter aangedaan door directeur Y, voor mij is nog niet overtuigend vast komen te staan dat de secretaresse bewust hierin heeft bijgedragen om jou onrecht aan te doen of dat zij gewoon is gebruikt.".

Het standpunt dat het onderzoek in de e-mailbox van directeur X de werkelijke reden is voor het ontslag op staand voet, deelt de kantonrechter niet. De kantonrechter verwijst daarbij naar de brief van de accountant waaruit volgt dat directeur Y al in november 2015 – dus ruim voor het ontslag op staande voet – op de hoogte was van de wijze van het inboeken van privé-uitgaven binnen het advocatenkantoor. Daarnaast acht de kantonrechter voldoende bewezen dat de secretaresse in opdracht van directeur X heeft gehandeld en dus niet zelfstandig of op eigen initiatief.

De kantonrechter wijst de vorderingen van de secretaresse toe en kent haar een vergoeding voor de onregelmatige opzegging toe van € 26.860,- bruto, de transitievergoeding en een billijke vergoeding van € 500,- bruto. De kantonrechter stelt ter zake de billijke vergoeding dat "Ongeacht dat het wellicht zo zou kunnen zijn dat het zakelijk afboeken van privé-uitgaven door de directeuren van het advocatenkantoor in de loop der jaren de bedrijfscultuur van het advocatenkantoor is geworden, is evident dat de secretaresse door hieraan mee te werken, in de mate en omvang als directeur X betreffend, onjuiste handelingen heeft verricht." Hoewel het de kantonrechter in het licht van de feitelijke gang van zaken duidelijk is geworden dat de secretaresse op enige wijze negatief betrokken is geraakt in de vete tussen directeuren X en Y, leidt dit gegeven niet tot een ander oordeel. Omdat het echter niet moreel verantwoord handelen is, voelt de kantonrechter er niet voor een hoge billijke vergoeding toe te kennen.

Concluderend: lijn in de rechtspraak

Uit deze uitspraak volgt eens te meer dat een ontslag op staande voet aan strikte voorwaarden dient te voldoen. In de onderhavige zaak was daarvan geen sprake, aldus de kantonrechter. Ook gaat de kantonrechter in op de (hoogte van) billijke vergoeding. De rechtspraak biedt tot op heden geen handvatten hoe (de hoogte van) de billijke vergoeding wordt vastgesteld (zoals ook blijkt uit het artikel "Wat is billijk"). Dit biedt rechters dus beoordelingsvrijheid en zullen zij de hoogte van de billijke vergoeding dan ook vaststellen aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval.

Auteurs

De foto van Frank Verlaan
Frank Verlaan
Advocaat
Utrecht