Alleen indien en voor zover de wet daartoe de ruimte laat …..

De Hoge Raad en de bevoegdhedenovereenkomst

13/04/2017

Een bestuursorgaan of een overheidslichaam kan een bevoegdhedenovereenkomst aangaan indien en voor zover de wet daartoe de ruimte laat. Die ruimte is in beginsel aanwezig indien het bestuursorgaan beleids- of beoordelingsvrijheid toekomt bij de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid. Indien het gaat om de uitoefening van een doelgebonden bevoegdheid, zullen de voorwaarden die bij een bevoegdhedenovereenkomst worden gesteld dan ook het doel moeten (kunnen) dienen waarvoor de desbetreffende bevoegdheid door de wet is gegeven.

Met zijn arrest van 24 maart 2017 (HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:483 (Ruimte-voor-Ruimteregeling gemeente Bladel)) waarin deze overwegingen voorkomen, heeft de Hoge Raad meer duidelijkheid geschapen over de reikwijdte van een bevoegdhedenovereenkomst, in het bijzonder waar het gaat om de bevoegdhedenovereenkomst waarbij het bestuursorgaan voorwaarden verbindt aan het verlenen van planologische medewerking, dit keer in het kader van een zogeheten Ruimte-voor-Ruimteregeling.

Ruimte-voor-Ruimteregeling
Een Ruimte-voor-Ruimteregeling (hierna: RvR-regeling) zoals die in een aantal provincies wordt gehanteerd, heeft tot doel om door middel van sloop van agrarische bedrijfsgebouwen die voor de intensieve veehouderij in gebruik zijn of waren, zowel het mestoverschot terug te dringen als een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van de betrokken gebieden te bewerkstelligen. In ruil voor die sloop en de fosfaatreductie wordt dan de bouw toegestaan van woningen op passende locaties in afwijking van de woningbouwprogrammering of, indien nodig, in afwijking van de regel dat geen burgerwoningen aan het buitengebied mogen worden toegevoegd. In een convenant dat in 2000 werd gesloten tussen de rijksoverheid, een aantal provincies, LTO-Nederland en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten werd vastgelegd dat in ruil voor sloop van stallen in de zogenaamde concentratiegebieden van de veehouderij, de bouw van ten hoogste 6.500 extra woningen mag worden toegestaan, waarvan 3.000 in de provincie Noord-Brabant. De bouw van de woningen mag overigens geschieden op andere locaties dan op de percelen waarop de te slopen stallen staan.

Casus
In dit geval ging het om een gebiedsontwikkelaar BMV die een plan had ontwikkeld dat voorzag in de realisering van 23 bouwkavels voor vrijstaande woningen op een aan BMV in eigendom toebehorend perceel grond in de gemeente Bladel. Om planologische medewerking voor dit plan te verkrijgen, garandeerde BMV de gemeente dat er tenminste 23.000 m² stallen zouden worden gesloopt en dat er 80.500 kg aan mestrechten uit de markt zouden worden gehaald. BMV legde een en ander vast in een rapport waarmee naar zijn zeggen werd voldaan aan de 14 voorwaarden die door de provincie aan de toepassing van de RvR-regeling,. opgenomen in het provinciale Streekplan, waren verbonden. Volgens een provinciaal ambtenaar was die regeling door BMV goed toegepast.

Op basis van het plan van BMV stelde de gemeenteraad van Bladel een bestemmingsplan vast dat de realisatie van de 23 vervangende woonkavels mogelijk maakte. Dit bestemmingsplan verkreeg vervolgens begin 2004 de destijds nog vereiste goedkeuring van Gedeputeerde Staten van de provincie.

In oktober 2006 laat de provincie aan de gemeente Bladel weten dat het door de initiatiefnemer ingediende saneringsplan in tal van opzichten ondeugdelijk is en dat daarmee niet voldaan wordt aan de vereisten van de RvR-regeling. BMV zegt de gemeente echter toe dat het allemaal goed zal komen. In maart 2011 is het nieuwbouwproject voltooid.

Klaarblijkelijk is BMV er niet in geslaagd om de door de provincie gesignaleerde tekortkomingen in het saneringsplan weg te nemen, want op een gegeven moment spant de gemeente een procedure aan tegen BMV en vordert onder meer vergoeding van de schade die zij ten gevolge van de toerekenbare tekortkoming van BMV lijdt, nader op te maken bij staat.

Verweer
BMV verweert zich met het argument dat de tussen hem en de gemeente gesloten bevoegdhedenovereenkomst, waarbij de gemeente zich heeft verplicht om planologische medewerking te verlenen aan de bouw van 23 woningen, de regelgeving inzake de ruimtelijke ordening onaanvaardbaar doorkruist, dan wel nietig is op de voet van artikel 3:40 BW. In dat verband stelt BMV dat de voorwaarden die aan de planologische medewerking verbonden zijn, slechts milieubelangen dienen (en niet ruimtelijke-ordeningsbelangen), hetgeen in strijd zou zijn met de wet. Ook voert BMV aan dat voor de sloop van stallen 16 locaties waren uitgekozen waarvan er slechts vijf in de gemeente Bladel liggen, zodat de gemeente niet bevoegd was te contracteren over de overige elf buiten de gemeente gelegen locaties. Tenslotte stelt BMV zich op het standpunt dat hij een bedrag van € 3.500.000 heeft moeten investeren om aan de verplichting te doen om stallen te slopen en fosfaten te kopen, hetgeen een onaanvaardbare doorkruising zou vormen van het stelsel van kostenverhaal zoals neergelegd in de WRO en de Gemeentewet.

Hoge Raad  
Nadat de rechtbank de vorderingen van de gemeente heeft toegewezen en het Gerechtshof dat vonnis heeft bekrachtigd, gaat BMV in cassatie, maar ook de Hoge Raad oordeelt in het voordeel van de gemeente. Daartoe overweegt de Hoge Raad allereerst dat onbestreden is dat het bestemmingsplan berust op een bevoegdhedenovereenkomst tussen partijen, waarbij de gemeente heeft toegezegd dit plan tot stand te brengen en waarbij BMV zich heeft verplicht tot naleving van de voorwaarden van de RvR-regeling van het Streekplan. En dan volgen twee belangrijke algemene overwegingen over de bevoegdhedenovereenkomst en de daarbij te stellen voorwaarden:

"Een bevoegdhedenovereenkomst is een overeenkomst waarbij een bestuursorgaan, of het overheidslichaam waartoe dat orgaan behoort, zich bindt met betrekking tot de uitoefening van hem toekomende publiekrechtelijk bevoegdheden. Een dergelijke overeenkomst kan door een bestuursorgaan of een overheidslichaam worden aangegaan indien en voor zover de wet daartoe de ruimte laat. Die ruimte is in beginsel aanwezig indien het bestuursorgaan beleids- of beoordelingsvrijheid toekomt bij de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid.

Uit het hiervoor (….) overwogene volgt dat de voorwaarden die bij een bevoegdhedenovereenkomst worden gesteld voor uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid, door de wet moeten worden toegelaten. Indien het gaat om de uitoefening van een doelgebonden bevoegdheid, zoals de in deze zaak aan de orde zijnde planologische bevoegdheden van (organen van) een gemeente, zullen die voorwaarden dan ook het doel moeten (kunnen) dienen waarvoor de desbetreffende bevoegdheid door de wet is gegeven."

Tegen deze achtergrond wijst de Hoge Raad de stelling van BMV van de hand, dat een gemeente bij de uitoefening van haar planologische bevoegdheden uitsluitend mag letten op haar eigen – dat wil zeggen gemeentelijke – planologische belangen of zelfs uitsluitend op de planologische belangen in of rond het desbetreffende plangebied. BMV had in dat verband aangevoerd dat aan het verlenen van planologische medewerking enkel voorwaarden mogen worden gesteld die betrekking hebben op de planologische maatregel waar het om gaat en niet op ruimtelijke ordeningsdoelstellingen op andere locaties, elders in de gemeente of provincie.

De Hoge Raad gaat hier niet in mee en wijst erop dat de Wet op de Ruimtelijke ordening (WRO) niet alleen betrekking heeft op het gemeentelijk planologisch beleid, maar ook op dat van het rijk en van de provincie. Dat rijks- en provinciale beleid ziet mede op de ruimtelijke ordening op gemeentelijk niveau en betreft naar zijn aard mede planologische belangen die de plaatselijke planologische belangen overstijgen. In het stelsel van de WRO ligt besloten dat een gemeente bij het nemen van planologische maatregelen mede rekening dient te houden met het beleid van rijk en provincie en met de uitwerking daarvan in het streekplan van de provincie. De minister en de gedeputeerde staten hebben (dan) ook op grond van de WRO bevoegdheden waarmee zij dit, zo nodig, kunnen afdwingen.

De RvR-regeling betreft rijksbeleid waarmee een ruimtelijke kwaliteitsverbetering wordt nagestreefd in ruil waarvoor woningbouw door gemeente wordt toegestaan, ook als die verbetering zich elders in de gemeente of in de provincie voordoet. Het planologische belang dat met de RvR-regeling wordt gediend, kan volgens de Hoge Raad worden gerekend tot de belangen waarop de organen van een gemeente acht mogen slaan bij hun besluit omtrent een planologische maatregel (zoals in casu: de vaststelling van een bestemmingsplan). Daaruit volgt dat een gemeente in het kader van de RvR-regeling in beginsel de voorwaarden zoals in deze zaak aan de orde - tot sloop van stallen elders en tot het doen intrekken van daarmee samenhangende milieurechten - mag stellen voor haar medewerking aan een planologische wijziging die woningbouw mogelijk maakt. Een gemeente kan die voorwaarden daarom ook bedingen in een bevoegdhedenovereenkomst zoals hier aan de orde.

Aangaande het betoog dat sprake zou zijn van een onaanvaardbare doorkruising van het stelsel van kostenverhaal (zoals neergelegd in de WRO en de Gemeentewet), overweegt de Hoge Raad in navolging van het Hof dat daarvan geen sprake is. Immers, vast staat dat BMV voor de planologische medewerking van de gemeente niet heeft hoeven te betalen en dat de gemeente voor die medewerking ook geen bijdrage heeft gevraagd. Dat de gemeente wel eisen heeft gesteld inzake het slopen van stallen en het intrekken van milieurechten, kan niet worden gelijkgesteld met het verlangen van een financiële bijdrage. Het gaat hier immers niet om kosten die de gemeente zelf zou hebben moeten maken als BMV niet zou zorgdragen voor sloop van stalruimte en intrekking van milieurechten, en die de gemeente door het stellen van die voorwaarden dus in feite zou afwentelen op BMV. De RvR-regeling strekt slechts tot stimulering van die sloop en intrekking door van degene die met gebruikmaking van die regeling planologische medewerking aan woningbouw wenst, te vergen dat hij zorgt voor een ruimtelijke kwaliteitsverbetering die deze medewerking in het kader van die regeling kan rechtsvaardigen. Met de met deze voorwaarden bedongen planologische uitruil blijft de RvR-regeling binnen de mogelijkheden die de wet een gemeente laat. Van kostenverhaal of een onaanvaardbare doorkruising van WRO en Gemeentewet is dus geen sprake, aldus de Hoge Raad.

Commentaar
Wat bij lezing van dit arrest onduidelijk blijft is, waarom de provincie pas ruim tweeëneenhalf jaar nadat Gedeputeerde Staten het bestemmingsplan hadden goedgekeurd, aan de gemeente liet weten dat aan het Ruimte-voor-Ruimteplan van de gebiedsontwikkelaar van alles en nog wat schortte. Hierdoor kon de situatie ontstaan dat het nieuwbouwproject al vrijwel geheel was voltooid, terwijl de ontwikkelaar nog steeds niet had voldaan aan alle voorwaarden voor toepassing van de Ruimte-voor-Ruimteregeling. De gemeente vorderde in deze procedure schadevergoeding, waarbij het voor mij de vraag is, waaruit die schade dan zoal bestaat (aannemende dat voor de herziening van het bestemmingsplan en de verlening van de bouwvergunningen leges zijn betaald). Maar dit terzijde, laten we onze aandacht richten op het belang van dit arrest.

De kwestie waarover de Hoge Raad het hier besproken arrest heeft gewezen, speelde zich af onder de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Hoewel deze wet per 1 juli 2008 plaats heeft gemaakt voor de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is dit arrest ook onverkort, en in meer dan één opzicht, van betekenis onder de huidige wet, aangezien het planologisch stelsel onder de Wro voor wat betreft het onderhavige onderwerp niet wezenlijk verschilt van dat onder de WRO.

Kern van het arrest
De betekenis van dit arrest schuilt er in de eerste plaats in, dat de Hoge Raad duidelijk heeft aangegeven, welke ruimte een bestuursorgaan of overheidslichaam heeft als het wil contracteren over de uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden, en aan welke eis de daarbij te stellen voorwaarden moeten voldoen. Om te beginnen moet het bestuursorgaan de vraag beantwoorden, of de desbetreffende wet hem beleids- of beoordelingsvrijheid toekent bij de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid. Betreft de bevoegdheid het verlenen van een gebonden beschikking, dan ontbreekt de vrijheid om daarover te contracteren. Is deze eerst vraag bevestigend beantwoord, dan moet vervolgens nog worden onderzocht of de voorwaarden die het bestuursorgaan voornemens is aan de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid te verbinden, het doel dienen – althans kunnen dienen – waarvoor die bevoegdheid in het leven is geroepen. Dit laatste kan nog wel eens voor hoofdbrekens zorgen, zoals we hierna nog zullen zien.

In dit geval vindt de privaatrechtelijke voorwaarde – het voldoen aan de 14 voorwaarden voor toepassing van de RvR-regeling – haar grondslag in een publiekrechtelijke regeling, te weten het provinciale Streekplan. Daarin wordt gemeenten de mogelijkheid geboden om in afwijking van de gebruikelijke woningbouwprogrammering, of in afwijking van de regel dat geen burgerwoningen in het buitengebied mogen worden gebouwd, de bouw van woningen planologisch toe te staan, mits in ruil daarvoor agrarische bedrijfsopstallen worden gesloopt en productierechten uit de markt worden genomen. De Hoge Raad benadrukt dat de RvR-regeling primair een planologisch doel dient, namelijk ruimtelijke kwaliteitsverbetering, en dat rechtvaardigt dan ook dat gemeenten bij het verlenen van planologische medewerking voorwaarden stellen die dat doel dienen. Van een onaanvaardbare doorkruising van het publiekrecht is derhalve geen sprake.

Soortgelijke overwegingen over de vereiste doelgebondenheid van een privaatrechtelijke voorwaarde in een bevoegdhedenovereenkomst kwamen al wel voor in eerdere arresten van de Hoge Raad (Zoals HR 19 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5860 (Den Haag/Staat)), maar die gingen over andere kwesties dan de RvR-regeling. In algemene zin kwam dat oordeel van de Hoge Raad overeen met dat van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ('de Afdeling'), die bijvoorbeeld al in 1985 ten aanzien van een aan een vrijstelling verbonden financiële voorwaarde het volgende overwoog: "Aan deze mogelijkheden zijn beperkingen verbonden, aldus dat door voldoening aan de voorwaarde een rechtstreekse bijdrage wordt geleverd aan de doelstelling van de wettelijke bepaling waarop de vergunning of vrijstelling berust, en voorts dat de verlening van de vergunning of ontheffing in het algemeen belang tot het heffen van een geldbedrag noopt." (ABRvS 30 augustus 1985, ECLI:NL:RVS:1985:AM8791 (Rabobank Stompwijk/Zoeterwoude).)

Ook het oordeel van de Hoge Raad in de hier besproken zaak van de gemeente Bladel sluit aan op de jurisprudentie van de Afdeling over de toepassing van een RvR-regeling. In een uitspraak uit 2012 (ABRvS 26 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8317 (gemeente Oirschot)) overwoog de Afdeling als volgt: "Oogmerk van het stellen van deze voorwaarde [nl. dat de betaling van de bouwtitel gegarandeerd is-RJL] is om zeker te stellen dat het planologisch toestaan van een nieuwe woning in het buitengebied wordt gecompenseerd door het realiseren van ruimtewinst met de verwijdering van agrarische bedrijfsgebouwen elders in dat gebied. Naar het oordeel van de Afdeling ligt derhalve een ruimtelijk motief aan het beleid ten grondslag."

Geen kostenverhaal
In de tweede plaats ontleent dit arrest betekenis aan het feit dat de Hoge Raad, in navolging van het Gerechtshof, heeft uitgemaakt dat wanneer er geen betaling van een financiële bijdrage aan de gemeente plaatsvindt in ruil voor het verlenen van planologische medewerking, er per definitie geen sprake kan zijn van (gemeentelijk) kostenverhaal. In dit geval had de gebiedsontwikkelaar weliswaar een behoorlijk bedrag betaald (zo'n € 3.500.000,00), maar die betaling had plaatsgevonden aan een derde die met dat geld aan de betrokken agrariërs vergoedingen had voldaan voor de te slopen stallen en uit te nemen productierechten. De gemeente Bladel echter had de ontwikkelaar niet om een financiële bijdrage gevraagd, hetgeen ook logisch was omdat er geen sprake van was dat de gemeente zou zorgdragen voor het slopen van de stallen. Het afwentelen van gemeentelijke kosten op de ontwikkelaar was dan ook niet aan de orde.

Zou dat anders geweest zijn, dan zou nog een ingewikkelde discussie kunnen ontstaan. We hebben hier immers te maken met een bevoegdhedenovereenkomst die nog onder vigeur van de WRO is tot stand gekomen. Zou daarin een beding zijn opgenomen op grond waarvan de ontwikkelaar een financiële bijdrage aan de gemeente had moeten voldoen, dan had de vraag kunnen worden gesteld of die bijdrage als een vorm van gemeentelijk kostenverhaal zou kwalificeren en of de desbetreffende afspraak te verenigen zou zijn met het toen geldende gesloten systeem van gemeentelijk kostenverhaal. Onder dat regime werd gemeentelijk kostenverhaal volgens vaste jurisprudentie slechts toelaatbaar geacht in de volgende gevallen: via de grondprijs ingeval van gemeentelijke gronduitgifte, via een exploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 42 WRO, en bij wijze van heffing van baatbelasting ex artikel 222 van de Gemeentewet.

Horst aan de Maas
In een zaak over de toepassing van een RvR-regeling waarover de Hoge Raad in 2013 oordeelde (HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0520 (Horst aan de Maas)) speelde die discussie. Daar ging het om een overeengekomen betaling aan de gemeente ten behoeve van de voorfinanciering van de sloop van 1000 m² agrarische bedrijfsgebouwen, in ruil voor vrijstelling van het bestemmingsplan waardoor de bouw van één woning in het buitengebied mogelijk werd gemaakt. Nadat vrijstelling was verleend, weigerde de wederpartij te betalen. In de procedure waarin de gemeente nakoming van de betalingsverplichting vorderde, werd in feitelijke instanties geoordeeld dat de financiële voorwaarde geen onderdeel vormde van het vrijstellingsbesluit, en werd de vordering van de gemeente afgewezen omdat onvoldoende verband aanwezig werd geacht tussen de ruimtelijke onderbouwing van het besluit tot vrijstelling en de betaling van de overeengekomen financiële bijdrage. Dit oordeel was vooral gebaseerd op het feit dat de gemeente in die procedure in twee instanties het standpunt had ingenomen dat het verband tussen de sloop enerzijds en de bouw van de compensatiewoning anderzijds uitsluitend op gemeentelijk niveau moest worden beoordeeld, in die zin dat zowel de sloop van de agrarische bedrijfsopstallen als de bouw van de woning in dezelfde gemeente moesten plaatsvinden. Tegelijkertijd echter had de gemeente gegevens ingebracht waaruit dat nauwe verband in het geheel niet bleek. Pas in cassatie liet de gemeente dat standpunt los, maar toen was het te laat.

Financieel beding
Voor wat betreft het financiële beding had het Hof geoordeeld (Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 27 september 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BT2861 (Horst aan de Maas)) dat het daarbij om een vorm van kostenverhaal ging waarvoor geen wettelijke grondslag (Het Hof verwees in dit verband naar de HR-arresten Nunspeet/Mulder (HR 2 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2848) en Beuningen/Blankenburg (HR 6 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AT9056)) bestond, waardoor de gemeente, die haar planologische medewerking afhankelijk had gemaakt van het beding, zich schuldig had gemaakt aan détournement de pouvoir en een onaanvaardbare doorkruising van het stelsel van kostenverhaal van de WRO en de Gemeentewet. Daarmee conflicteerde het betalingsbeding volgens het Hof met de openbare orde en was het beding deswege nietig. Tevens was het Hof van oordeel dat het financiële beding dit niet toelaatbaar was, omdat de gemeente niet overeenkomstig de RvR-regeling en de planologische doelstellingen daarvan had gehandeld, zodat niet voldaan was aan de eis dat het bedingen van die vergoeding rechtstreeks verband houdt met het doel van de gemeentelijke vrijstellingsbevoegdheid. De Hoge Raad vond dit oordeel van het Hof begrijpelijk en verwierp het cassatieberoep.

Na kennisneming van het arrest-Bladel waag ik te betwijfelen, of de Hoge Raad een financieel beding dat als voorwaarde is verbonden aan de bereidheid van de gemeente om in het kader van de RvR-regeling planologische medewerking te verlenen aan een ontwikkelinitiatief, (nog steeds) niet toelaatbaar zou achten. Hierbij stel ik voorop dat de Hoge Raad blijkens zijn overwegingen in het arrest- Horst aan de Maas de beoordeling van de toelaatbaarheid van het betalingsbeding zelf niet plaatst in de sleutel van de “onaanvaardbare doorkruising” (van WRO en Gemeentewet). Wellicht moet de verklaring daarvoor gezocht worden in het gemengde karakter van de bevoegdhedenovereenkomst (Aldus het arrest Etam-Zoetermeer, HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3057), waardoor van een zuiver privaatrechtelijke weg die de publiekrechtelijke regelingen doorkruist, geen sprake is. Overigens laat de Hoge Raad in het arrest-Bladel deze term wél vallen: “Van kostenverhaal of van een onaanvaardbare doorkruising van WRO en Gemeentewet zoals door het onderdeel gesteld, is dus geen sprake.” (HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:483, r.o. 3.7.2) Deze overweging vormt een reactie op de desbetreffende cassatieklacht, maar het gaat mijns inziens te ver om daaraan de conclusie te verbinden dat de Hoge Raad, zou de gemeente wél een financiële bijdrage bedongen hebben, het desbetreffende beding als een onaanvaardbare doorkruising van de WRO en Gemeentewet zou hebben bestempeld.

Een meer overtuigend argument waarom de Hoge Raad een financieel beding als hier bedoeld wél toelaatbaar zou kunnen achten, kan worden ontleend aan het arrest-Bladel, waarin de Hoge Raad immers aangeeft dat een voorwaarde die het doel dient (of kan dienen) waarvoor de publiekrechtelijke bevoegdheid door de wet is gegeven, deel kan uitmaken van een bevoegdhedenovereenkomst waarin over de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid wordt gecontracteerd. De Hoge Raad heeft in dat verband geen uitzondering gemaakt voor voorwaarden met een financieel karakter, en daarmee is er naar mijn mening geen reden om op voorhand aan te nemen dat het ontoelaatbaar is om een financieel beding in een bevoegdhedenovereenkomst op te nemen. Maar misschien zal die duidelijkheid wel uitblijven, want aan de beantwoording van de vraag of zo’n financieel beding wel of niet toelaatbaar moet worden geacht, komt men niet toe zolang de afwikkeling van de financiële verplichtingen die de initiatiefnemer in het kader van een bevoegdhedenovereenkomst over de toepassing van de RvR-regeling op zich neemt, buiten de betrokken gemeente om geschiedt, zoals in Bladel het geval was.

Gemeentelijk of provinciaal niveau?
Door de gang van zaken in de procedure-Horst aan de Maas was er nog geen zekerheid over de vraag of het slopen van stallen en het ter compensatie bouwen van een of meer woningen nu op gemeentelijk dan wel op provinciaal niveau moet worden beoordeeld en daarmee over de vraag, of het doel waarvoor de toenmalige vrijstellingsbevoegdheid was gegeven, wel werd gediend met een voorwaarde die ook op provinciaal niveau kon worden ingevuld. Op deze vraag heeft de Hoge Raad in het arrest-Bladel nu een duidelijk antwoord gegeven: onder verwijzing naar het convenant dat de basis vormde voor de RvR-regeling stelt de Hoge Raad vast dat de bouw van de compensatiewoningen ook op andere locaties mag plaatsvinden dan binnen de gemeente waar zich het perceel bevindt waarop de te slopen stallen staan. De Hoge Raad trekt deze conclusie uit zijn uiteenzetting over het planologische belang dat de RvR-regeling beoogt te dienen.

Auteurs

De foto van Robert Lucassen
Robert Lucassen
Advocaat
Amsterdam