Home / Publicaties / Grensvlak civiele en strafrechtelijke aansprakelijkheid...

Grensvlak civiele en strafrechtelijke aansprakelijkheid accountant

15/05/2009

In hoeverre kan het meewerken van een accountant aan mogelijk strafrechtelijk verwijtbaar handelen door de bestuurders van de rechtspersoon leiden tot de aansprakelijkheid van de accountant jegens die bestuurders zelf? Naast dus de eventuele aansprakelijkheid jegens de rechtspersoon? Deze interessante vraag wordt beantwoord in een tamelijk recente uitspraak van de rechtbank te Rotterdam.

De firma "list & bedrog"
De (voormalige) bestuurders van een vereniging achten de accountant van de vereniging aansprakelijk voor schade die verband houdt met hun bestuurshandelen. De bewuste bestuurders waren zelf door de vereniging met succes, in een afzonderlijke procedure, aangesproken op een onbehoorlijke vervulling van hun bestuurstaak. Die onbehoorlijke taakvervulling was gelegen in het uitgeven van het spaargeld van de vereniging zonder dit behoorlijk te administreren, het hierdoor laten voortbestaan van een tekort, het uiteindelijk dekken hiervan met behulp van valse notulen en het in verregaand onvoldoende mate informeren van de leden van de vereniging over dit alles. Hierbij is met name van belang dat de bestuurders notulen van een gefingeerde algemene ledenvergadering hebben opgemaakt om een hypotheek en een lening bij de Rabobank te krijgen. In de procedure die in verband hiermee door de bestuurders tegen de accountant aanhangig wordt gemaakt bij de rechtbank Rotterdam, vorderen de bestuurders om door de accountant te worden gevrijwaard voor de schade uit hun onbehoorlijke taakvervulling. De bestuurders achten daar redenen voor aanwezig, omdat de accountant de bestuurders zou hebben aangemoedigd of zou hebben aangezet om de notulen van een gefingeerde ledenvergadering te gebruiken om de hypotheekakte te laten passeren.

Rechterlijk oordeel
De rechtbank overweegt dat er situaties denkbaar zijn waarin het advies aan bestuurders tot het opmaken en gebruiken van valselijk opgemaakte notulen op zich ook onrechtmatig is tegenover die bestuurders, en dus een rechtstreekse aansprakelijkheid jegens de bestuurders vestigt. De rechtbank overweegt dat dit echter niet los kan worden gezien van de zwaarwegende eigen verantwoordelijkheid van de bestuurders. De rechtbank knoopt aan bij de strafbaarstelling van valsheid in geschrifte van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, waarin staat dat eenieder zich bij zijn handelen moet onthouden van valsheid in geschrifte. Daarop voortbouwend vindt de rechtbank dat voor de aansprakelijkheid van de accountant in die zin dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens de bestuurders, op zijn minst het vermoeden moet bestaan dat de bestuurders zelf niet wisten of behoorden te begrijpen dat het valselijk opmaken van de notulen en het gebruik daarvan niet toelaatbaar was, dan wel dat de accountant hen uit het hoofd zou hebben gepraat dat het ontoelaatbaar was. Om deze reden wijst de rechtbank de vordering van de bestuurders tegen de accountant af.

Commentaar
De rechtbank grijpt terug op het uitgangspunt dat de accountant tegenover zijn opdrachtgever, in dit geval de vereniging, dient te handelen zoals een redelijk bekwaam handelend accountant en/of administratieconsulent betaamt. Als hij daarin tekort schiet, dan vestigt dat in beginsel uitsluitend aansprakelijkheid jegens de opdrachtgever en niet ook jegens de bestuurders van die vereniging. De rechtbank verwoordt het zo dat het toerekenbaar tekort schieten van de accountant bij de uitoefening van zijn werkzaamheden, zelfs de behoorlijke uitoefening van de taak door de bestuurders niet raakt. Kortom, de eigen verantwoordelijkheid van bestuurders wordt daardoor niet in ook maar enige mate aangetast. Dit is een op zich juiste gedachtegang en consistent met andere jurisprudentie. Het is de eigen verantwoordelijkheid van het bestuur te zorgen voor een deugdelijke administratie, de aanwezigheid van een risicobeheersings- en controlesysteem en de tijdige opmaak van de jaarrekening. Het bestuur kan die verantwoordelijkheid niet delegeren naar de accountant. In het licht van de kort beschreven feiten lijkt het oordeel van de rechtbank zeker logisch, omdat de bestuurders zelf de aanzet tot de valsheid in geschrifte hebben gemaakt.

De betrokken bestuurders daarentegen redeneerden kennelijk dat het advies om zo te handelen en/of het goedkeuren van die werkwijze, per saldo heeft mee te brengen dat de gevolgen van de kennelijke onbehoorlijke taakvervulling kunnen worden geneutraliseerd, doordat de daardoor ontstane schade bij de accountant moet kunnen worden geparkeerd. Hier valt een brug te slaan naar het niet tijdig publiceren van de jaarrekening. Dat wordt in faillissementssituaties wettelijk onweerlegbaar aangemerkt als kennelijk onbehoorlijk bestuur en voorts wordt vermoed dat dit ook een belangrijke oorzaak is voor het faillissement. In dergelijke situaties wordt door bestuurders nog wel eens het verweer tegen de eigen aansprakelijkheid gevoerd, dat de opdracht aan de accountant om zijn werkzaamheden ten aanzien van de bewuste jaarrekening te verrichten, reeds was gegeven aan de accountant en de accountant daarmee in gebreke was gebleven. Men houdt dan vol dat daarom het niet tijdig publiceren van de jaarrekening het bestuur niet kan worden verweten. Dat verweer is telkens kansloos bevonden. In feite stoelt dat op dezelfde redenering als die van de rechtbank Rotterdam in deze kwestie. Het stelsel is nu eenmaal zo dat een duidelijk onderscheid dient te worden gemaakt tussen de taak die de accountant heeft uit hoofde van de aan hem verstrekte opdracht jegens de rechtspersoon en de bestuurstaak.

Het uitgangspunt dat de aansprakelijkheid van de accountant jegens de bestuurders pas aanwezig kan zijn, indien het hem duidelijk was dat de bestuurders zelf niet wisten of behoorde te begrijpen dat het valselijk opmaken van de notulen en het gebruik daarvan niet toelaatbaar was, lijkt het aantal situaties in de praktijk waarin de accountant tevens rechtstreeks aansprakelijk zal worden geacht jegens bestuurders, tot een uitzondering te bombarderen. Immers, het is niet goed denkbaar dat een accountant een dergelijk begrip snel zal mogen hebben; iedere nauwgezette en op zijn taak berekende bestuurder zal weten dat aan handelingen als het valselijk opmaken van notulen zekere risico's kleven, waaronder dat van onbehoorlijke taakvervulling. Het lijkt toch vooral ook een kwestie van "common sense".

Conclusie
De aan kennelijk onbehoorlijke taakvervulling meewerkende accountant zal, zelfs als dit in feite betreft het meewerken aan strafbaar gestelde handelingen, niet snel ook aansprakelijk zijn jegens die bestuurders zelf. En hij zal gehouden zijn bestuurders vrij te waren voor de schade die als gevolg van de onbehoorlijke taakvervulling door de bestuurders voor de rechtspersoon is ontstaan. Dit oordeel van de rechtbank valt goed te rijmen met de bestaande opvattingen omtrent de bestuurstaak en de taak van de accountant.