Home / Publicaties / Het nieuwe pensioenakkoord: weer werkverschaffing...

Het nieuwe pensioenakkoord: weer werkverschaffing voor werkgevers

20/12/2013

Het kabinet heeft een nieuw pensioenakkoord gesloten. Het behelst vooral een verdere beperking van de mogelijkheden tot pensioenopbouw. Dat zou lagere pensioenpremies moeten opleveren. Die premieverlagingen zouden, op hun beurt, tot een verhoging van belastingopbrengsten en besteedbare inkomens moeten leiden. Een belangrijke consequentie van het akkoord is dat werkgevers en pensioenuitvoerders de bestaande pensioenregelingen (wederom) moeten laten aanpassen. Dat zijn complexe trajecten, die op zorgvuldige wijze dienen te worden uitgevoerd. De kabinetsmaatregelen komen in aanvulling op de pensioenwijzigingen die al per 1 januari 2014 van kracht worden. Of de maatregelen het gewenste effect zullen sorteren staat overigens nog te bezien.

De maatregelen

De maximale opbouwpercentages voor pensioenregelingen zijn al met ingang van 1 januari 2014 verlaagd. Voor middelloonregelingen van 2,25% naar 2,15%, vergezeld van een gelijktijdige verhoging van de pensioenrichtleeftijd van 65 jaar naar 67 jaar. In aansluiting op het Regeerakkoord had het kabinet ook nog verdere maatregelen op dit vlak voorgesteld. Na kritiek van de Eerste Kamer waren die nieuwe wetsvoorstellen in eerste instantie aangehouden. Overleg met de oppositie heeft nu een nieuw akkoord opgeleverd, voor verdere aanpassingen per 1 januari 2015. De verdere verlaging van de maximum opbouwpercentages voor pensioenregelingen vormt daar de kern van. Voor een middelloonregeling wordt dat percentage vastgesteld op 1,875%. Overeenkomstige aanpassingen zijn voorzien voor eindloon- en beschikbare premieregelingen. Daarnaast zal boven de salarisgrens van €100.000 geen pensioenopbouw meer mogelijk zijn. Wel komt er een mogelijkheid om vrijwillig bij te sparen voor het salarisdeel boven dat grensbedrag.

Wat moet een werkgever doen?

Werkgevers moeten hun pensioenregeling opnieuw tegen het licht houden. In veel gevallen zullen die, al dan niet opnieuw, gewijzigd moeten worden. Het akkoord leidt met name tot een wijziging van de fiscale wetgeving. Door een dergelijke wijziging zullen de bestaande pensioenregelingen niet automatisch ("van rechtswege") worden gewijzigd. Evenmin verschaffen dergelijke wijzigingen werkgevers het recht om eenzijdig de pensioenregeling aan te passen. Werkgevers zullen hun pensioenregeling dan ook alleen kunnen wijzigen met inachtneming van de daarvoor algemeen geldende regels. Allereerst moet dan weer de voorvraag beantwoord worden: wordt het onderwerp al volledig én dwingend op bedrijfstakniveau (via het Pensioenfonds of de Cao) afgekaart? Zo ja, dan heeft de individuele werkgever nog slechts een beperkte invloed of taak. Zo nee, dient de werkgever zich allereerst te beraden op de concrete invulling van de wijzigingen. Hoe gaat zijn nieuwe pensioenregeling eruit zien? Gaat hij daarnaast ook nog compensatie bieden voor het feit dat de regeling soberder wordt? Dergelijke compensatie kan zowel betrekking hebben op andere onderdelen van de pensioenregeling, als op de overige arbeidsvoorwaarden. Compensatie binnen de pensioenregeling kan bijvoorbeeld geboden worden door een betere indexatieregeling. Vervolgens zal ook afstemming met de andere betrokken partijen nodig zijn. In ieder geval met de pensioenuitvoerder, veelal een verzekeraar of pensioenfonds. Verder zal ook vaak afstemming met de Ondernemingsraad en, in beginsel, de individuele werknemers nodig zijn. Voor die laatste groep betekent een wijziging een inbreuk op de eerder met hen gemaakte afspraken omtrent pensioen ("de pensioenovereenkomst"). Aldus zal daarvoor in beginsel de individuele instemming van iedere werknemer vereist zijn. In dat kader zal met name ook gekeken worden naar de compensatie die de werkgever aanbiedt. Overigens zal in bepaalde gevallen ook eenzijdige wijziging van de pensioenregeling mogelijk kunnen zijn. Dat zal afhankelijk zijn van de concrete afspraken en omstandigheden die aan de orde zijn, maar ook in die gevallen zal de werkgever een zorgvuldig traject dienen te doorlopen. De overwegingen en aandachtspunten zijn overigens grotendeels dezelfde, als eerder beschreven in relatie tot de Wet VAP (Wet Verhoging AOW- en Pensioenrichtleeftijd). Uit die wet volgden de pensioenwijzigingen die al per 1 januari 2014 dienen te zijn ingevoerd. Voor een meer gedetailleerde beschrijving van die overwegingen en aandachtspunten wordt verwezen naar mijn eerdere Newsflash van juni 2013. Wel moet nog op twee, mogelijk belangrijke, verschillen gewezen worden. Het eerste is dat de wijzigingen per 1 januari 2014 relatief beperkte consequenties hebben gehad voor de meeste pensioenregelingen. Daardoor konden dergelijke wijzigingen in de praktijk veelal betrekkelijk geruisloos worden doorgevoerd. Dat zal voor de nieuwe wijzigingen mogelijk minder het geval zijn. Daarnaast zijn de bevoegdheden van de Ondernemingsraden met betrekking tot pensioen sinds augustus van dit jaar verder uitgebreid.

Conclusie

Werkgevers moeten wederom aandacht gaan besteden aan hun pensioenregeling. De nieuwe wijzigingen zullen deze keer vermoedelijk ingrijpender van aard zijn. Dat zal het wijzigingsproces wellicht ook navenant gecompliceerder maken. Er staat namelijk meer op het spel.

Of de hele exercitie vervolgens ook oplevert waar het kabinet op hoopt, moet dan verder nog maar afgewacht worden. De opzet is dat er een verschuiving in arbeidsbeloning plaatsvindt. Werkgevers zouden minder pensioenpremie moeten gaan betalen. In plaats daarvan zouden ze meer salaris en andere belaste vergoedingen moeten gaan uitkeren. Dat zou al in 2017 circa € 2,15 miljard aan extra belastinginkomsten moeten opleveren. Daarnaast zou de maatregel ook tot hogere besteedbare inkomens moeten leiden. Daarmee zou dan ook direct de economie gestimuleerd worden. Of dat er allemaal van komt wordt sterk betwijfeld. In totaal zou bijvoorbeeld al voor zo'n 86% van de werknemers gelden, dat die al per 1 januari a.s. (vrijwel) op of onder het in 2015 vereiste maximum opbouwpercentage zitten. Voor die regelingen verandert in 2015 dus niets meer. Verder kan de maatregel alleen indirect bepaalde effecten sorteren: de maatregel dwingt namelijk niet automatisch tot lagere pensioenpremies en lagere pensioenpremies leiden ook niet vanzelfsprekend tot overeenkomstig hogere (andere) beloningen respectievelijk hogere belastingopbrengsten.

Auteurs

De foto van Paulus van den Bosch
Paulus van den Bos
Advocaat
Amsterdam