Opzegging duurovereenkomst

28/06/2016

Hoge Raad 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134

Ter uitvoering van de pensioenregeling is op 25 september 2008 tussen Stichting Alcatal-Lucent Pensioenfonds en Alcatal-Lucent een uitvoeringsovereenkomst gesloten. De overeenkomst is voor onbepaalde tijd aangegaan en kan worden opgezegd met een opzegtermijn van minstens zes maanden waarbij de overeenkomst niet eerder zal eindigen dan op 31 december van het jaar volgend op het jaar van opzegging. De overeenkomst bepaalt dat partijen na beëindiging jegens elkaar de verplichtingen uit de overeenkomst behouden over de periode gelegen voor de datum van beëindiging. Op 29 september 2010 heeft Alcatal-Lucent de uitvoeringsovereenkomst opgezegd tegen 31 december 2011.

De Hoge Raad overweegt met betrekking tot de opzegging van de uitvoeringsovereenkomst dat geen andere regels gelden dan in het algemeen gelden voor de opzegging van duurovereenkomsten die voor onbepaalde tijd zijn aangegaan. De Hoge Raad herhaalt eerdere rechtspraak met betrekking tot opzegging van duurovereenkomsten en overweegt dat opzegging in beginsel mogelijk is, ongeacht of wet en overeenkomst voorzien in een regeling van de opzegging. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat, dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen, of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot (schade)vergoeding. (HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854; HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4163). Dit neemt niet weg dat een voor onbepaalde tijd gesloten duurovereenkomst (die niet voorziet in een regeling van de opzegging), naar de bedoeling van partijen niet-opzegbaar kan zijn, met dien verstande dat de wederpartij van degene die zich op de niet-opzegbaarheid beroept, onder omstandigheden daartegen een beroep kan doen op, kort gezegd, de art. 6:248 lid 2 BW en 6:258 BW (HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:660).

De Hoge Raad voegt aan deze regels toe dat ook indien een overeenkomst wel voorziet in een regeling van de opzegging, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst - afhankelijk van de omstandigheden van het geval - in de weg kunnen staan aan respectievelijk opzegging, opzegging zonder zwaarwegende grond, opzegging op een bepaald moment, of opzegging zonder aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. Daarbij zal onder meer gewicht kunnen toekomen aan de aard van de betrokken belangen, aan de omstandigheid dat in art. 25 lid 1, aanhef en onder h, Pensioenwet, voor andere pensioenuitvoerders dan een ondernemingspensioenfonds, het belang is onderkend dat is voorzien in voorwaarden die gelden bij de beëindiging van een uitvoeringsovereenkomst, aan eventuele maatregelen die aan het betrokken pensioenfonds zijn opgelegd (zoals de verplichting in verband met een herstelplan of de verplichting tot waardeoverdracht van hetgeen na opzegging resteert), en aan de omstandigheid dat de uitvoeringsovereenkomst betrekking heeft op (opgebouwde) pensioenaanspraken van (gewezen) werknemers, tegenover wie de (voormalige) werkgever op grond van de (voormalige) arbeidsverhouding een zekere verantwoordelijkheid heeft (behouden).

Het Pensioenfonds heeft in cassatie terecht geklaagd dat het hof in het bestreden arrest onvoldoende is ingegaan op de stellingen van het Pensioenfonds dat, indien de gestelde andere betalingsverplichtingen niet volgen uit de uitvoeringsovereenkomst, de kosten waarop die verplichtingen betrekking hebben voor rekening van Alcatel-Lucent komen in verband met een leemte in de uitvoeringsovereenkomst dan wel in verband met de omstandigheid dat de uitvoeringsovereenkomst een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd is en de beëindiging daarvan Alcatel-Lucent noopt tot betaling van schadevergoeding.

Auteurs

De foto van Robbert van Brakel
Robbert van Brakel
Advocaat
Utrecht