Reken je niet rijk na verwerping nalatenschap door mede-erfgenaam!

08/12/2009

Een recente uitspraak van de Hoge Raad laat zien dat het verwerpen van een nalatenschap aantastbaar is door een schuldeiser van die erfgenaam.
In deze zaak komt vader te overlijden en laat een echtgenote, zoon en dochter na. De zoon heeft een forse belastingschuld, reden voor hem om de nalatenschap van zijn vader te verwerpen ten gunste van zijn moeder en zus. Moeder en dochter hebben inmiddels de nalatenschap bij notariële akte verdeeld. De belastingdienst is het niet eens met de verwerping en wendt zich tot de rechtbank met het verzoek om de verdeling alsnog te vernietigen. De belastingdienst wordt tot in hoogste instantie in het gelijk gesteld zodat moeder en dochter alsnog een deel van de nalatenschap moeten afstaan aan de belastingdienst.

De uitspraak van de Hoge Raad van 13 november 2009 heeft betrekking op een nalatenschap die nog valt onder het oude erfrecht, maar ook het nu geldende erfrecht biedt de belastingdienst en ook andere schuldeisers van een verwerpende erfgenaam de mogelijkheid om alsnog de effecten van de verwerping ongedaan te maken.
Het arrest blijft dus van belang ook al heeft de wetgever in het nieuwe erfrecht voor een andere procedure gekozen. De gedachtegang van de wetgever, zowel in het oude als het nieuwe erfrecht is gebaseerd op de zogenaamde Actio Pauliana, zoals we dat ook kennen in het faillissementsrecht.

In het oude erfrecht moest een schuldeiser eerst een machtiging verkrijgen van de rechter om de nalatenschap alsnog te aanvaarden; daarna kon worden verzocht de verdeling die al had plaatsgevonden alsnog ongedaan te maken. Beide vorderingen zijn in deze zaak gehonoreerd door de rechtbank gevolgd door het Hof en de Hoge Raad.

In het nu geldende recht is een andere regeling opgenomen.
In artikel 4:205 BW is het volgende vastgelegd:

"Wanneer een schuldeiser van een erfgenaam die de nalatenschap verworpen heeft, hierdoor klaarblijkelijk is benadeeld, kan de rechtbank op zijn verzoek bepalen dat de nalatenschap mede in het belang van de schuldeisers van degenen die verworpen heeft zal worden vereffend, en kan zij zonodig een vereffenaar benoemen".

Let wel, het verzoek kan worden toegewezen, de rechter is daartoe niet verplicht.
Ook als een nalatenschap reeds wordt vereffend, kan het nodig zijn om benoeming van een vereffenaar te verzoeken, bijvoorbeeld als de erfgenamen gezamenlijk vereffenaar zijn en hun belangen strijden met die van de schuldeiser.

Als de rechter heeft bepaald dat de nalatenschap mede in het belang van schuldeisers van een erfgenaam die haar verworpen heeft, wordt vereffend, kunnen ook deze schuldeisers hun vorderingen indienen. Deze vorderingen worden dan op de uitdelingslijst opgenomen maar slechts voor maximaal het deel dat deze erfgenaam zou hebben ontvangen indien hij niet verworpen had.
Deze vorderingen gaan dan dus ten koste van de andere erfgenamen.

Overigens hoeft het eventuele tekort aan verhaalsmogelijkheid op de schuldenaar zelf niet reeds te bestaan ten tijde van de verwerping. Het kan ook nadien zijn ontstaan. Evenmin behoeft de vordering van de schuldeiser niet reeds te bestaan voor de verwerping. Dit houdt dus in dat de regeling uitkomst biedt voor de schuldeiser wiens vordering ontstaat na de verwerping door zijn schuldenaar en wiens tekort aan verhaalsmogelijkheden pas later blijkt.

Het is soms heel moeilijk om te zien of de vordering van de schuldeiser enig effect zal hebben omdat men als buitenstaander/schuldeiser immers geen inzage heeft hoe omvangrijk de nalatenschap is. Maar het is voor een privé - schuldeiser wel mogelijk daar enig inzicht in te krijgen. Men kan op grond van artikel 211 lid 3 BW bij de kantonrechter inzage afdwingen in een eventueel opgestelde boedelbeschrijving van de nalatenschap. Mocht deze er nog niet zijn dan kan op grond van artikel 672 Rv om een dergelijke beschrijving worden verzocht. Deze mogelijkheid ziet niet op het vermogen van de schuldenaar zelf, slechts op de omvang van de nalatenschap.

Er is in de wet geen vervaltermijn opgenomen voor het indienen van een dergelijk verzoek,
maar daar tegenover staat wel dat de rechter een vordering tot vereffening niet hoeft toe te wijzen.