Samenhangende overeenkomsten en de gevolgen voor de mogelijkheden van ontbinding en opschorting

28/06/2012

Afgelopen januari wees de Hoge Raad het arrest AfgaPhoto Finance/Foto Noort c.s. (HR 20 januari 2012, LJN BU3162). Voorts heeft de Hoge Raad op 3 februari 2012 het arrest Eurotco/Naeije (HR 3 februari 2012, LJN BU4907) gewezen. Deze arresten borduren voort op eerdere uitspraken omtrent samenhangende overeenkomsten. In het destijds baanbrekende arrest Jans/FCN (HR 23 januari 1998, LJN ZC2555) heeft de Hoge Raad voor het eerst erkend dat overeenkomsten tussen ten dele verschillende partijen een zodanige samenhang kunnen vertonen, dat de lotgevallen van de ene overeenkomst kunnen doorwerken in de andere overeenkomst. Uit het arrest kan worden afgeleid dat nauwe samenhang tussen twee overeenkomsten tussen verschillende partijen kan meebrengen dat een tekortschieten in de ene overeenkomst de ontbinding of vernietiging van de andere overeenkomst rechtvaardigt.

AfgaPhoto Finance/Foto Noort c.s.

Foto Noort c.s. en Agfa Europe hebben in februari 2004 een huurkoopovereenkomst gesloten met betrekking tot een Minilab, waarbij Foto Noort c.s. recht had op vijf jaar garantie en service. Foto Noort c.s. is met Agfa Finance voor vijf jaar een financieringsovereenkomst met betrekking tot het Minilab aangegaan. Agfa Europe en Agfa Finance zijn per 1 november 2004 overgenomen door AgfaPhoto Netherlands respectievelijk AgfaPhoto Finance.

Op 4 november 2005 is AgfaPhoto Netherlands failliet verklaard. De curator in het faillissement heeft bij brief van 11 november 2005 gemeld dat AgfaPhoto Netherlands niet meer in staat is de servicewerkzaamheden te continueren. Eind 2005 heeft Foto Noort c.s. de betaling van de leasetermijnen aan AgfaPhoto Finance gestaakt. Bij brief van 12 juni 2007 heeft AgfaPhoto Finance de financieringsovereenkomst beëindigd.

AgfaPhoto Finance vordert van Foto Noort c.s. (i) € 132.640,35 aan onder meer onbetaald gebleven en nog te vervallen leasetermijnen en (ii) afgifte van het Minilab, nu Foto Noort c.s. de betaling van de leasetermijnen heeft gestaakt en de klachten over service en gebreken niet tot AgfaPhoto Netherlands hadden moeten worden gericht. Foto Noort c.s. vordert in reconventie een verklaring voor recht dat de financieringsovereenkomst is ontbonden en schadevergoeding. Met de brief van de curator kwam vast te staan dat de service- en garantieverplichtingen onder de huurkoopovereenkomst niet meer zouden worden nagekomen. Deze tekortkoming rechtvaardigde een opschorting van de betaling van leasetermijnen uit hoofde van de financieringsovereenkomst, nu beide overeenkomsten nauw met elkaar samenhangen.

Dit betoog heeft bij de kantonrechter geen succes; de vorderingen van AgfaPhoto Finance worden toegewezen en de reconventionele vorderingen van Foto Noort c.s. afgewezen.
Bij het hof het voornoemd betoog meer succes. Het hof heeft in reconventie de financieringsovereenkomst ontbonden en Foto Noort c.s. veroordeeld tot teruggave van het minilab aan AgfaPhoto Netherlands. Voorts heeft het hof onder afwijzing van de conventionele vordering van AgfaPhoto Finance veroordeeld tot vergoeding van de door Foto Noort c.s. geleden schade.

De Hoge Raad bekrachtigt het oordeel van het hof dat dat de huurkoopovereenkomst en de financieringsovereenkomst die de huurkoper met een derde (AgfaPhoto Finance) heeft gesloten, gelet op de omstandigheden van het geval (de nauwe feitelijk-economische samenhang), zozeer met elkaar verbonden zijn dat de ontbinding van de huurkoopovereenkomst kan leiden tot ontbinding van de financieringsovereenkomst. In zoverre volgt de Hoge Raad aldus zijn eerder gegeven oordeel in het arrest Jans/FCN.

De nauwe samenhang brengt echter volgens de Hoge Raad niet mee dat AgfaPhoto Finance aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van het tekortschieten van AgfaPhoto Netherlands onder huurovereenkomst. De samenhang is aldus slechts van belang voor de vraag naar de gebondenheid van Foto Noort c.s. aan de financieringsovereenkomst. Dat betekent dat het bereik van het argument van nauwe samenhang tussen overeenkomsten is begrensd voor wat betreft het rechtsgevolg dat aan de samenhang wordt verbonden. Een terechte conclusie; aansprakelijkheid in dit verband voor schade van derden is onzes inziens te vergaand.

Eurotco/Naeije

De Hoge Raad heeft zich twee weken na het AgfaPhoto Finance/Foto Noort c.s. in Euretco/Naeije opnieuw uitgelaten over samenhangende overeenkomsten en de gevolgen voor de mogelijkheden van ontbinding en opschorting.

In Euretco/Naeije gaat het om een overeenkomst tot verkoop van een pakket aandelen waarbij de koopsom wordt omgezet in een lening.

Naeije heeft haar aandelenbelang van 60% in een franchisebedrijf in de keukenbranche verkocht en overgedragen aan Euretco. In de koopovereenkomst is een “balansgarantie” ten aanzien van de jaarcijfers opgenomen, evenals een zogenaamde “aanpassingsclausule”, die inhoudt dat, indien uit een later (door een opvolgende koper) uit te voeren due diligence onderzoek blijkt dat die cijfers niet juist zijn, een correctie van de koopprijs volgt. De koopsom is omgezet in een geldlening. De daartoe tussen Euretco en Naeije gesloten geldleningsovereenkomst bepaalt onder meer dat Euretco maandelijks rente verschuldigd is aan Naeije. Terwijl het due diligence onderzoek wordt uitgevoerd, heeft Naeije de geldleningsovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden omdat de betaling van een tweetal rentetermijnen was uitgebleven. Uit het daarna verschenen due diligence onderzoek blijkt dat de jaarcijfers onjuist zijn.

Naeije vordert een verklaring voor recht dat zij de geldleningsovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden op de voet van art. 6:265 BW. Euretco voert als verweer dat zij haar (rente)verplichtingen uit hoofde van die overeenkomst mocht opschorten (op grond van art. 6:262 dan wel art. 6:52 BW), zodat geen sprake is van een – voor ontbinding vereiste – tekortkoming in de nakoming van de renteverplichtingen. Aan die opschorting legt Euretco ten grondslag dat Naeije wanprestatie heeft gepleegd ter zake van de in de koopovereenkomst opgenomen balansgarantie. Euretco zou dientengevolge een opeisbare (schadevergoedings)vordering op Naije hebben.

De rechtbank heeft Naeije niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat Euretco bevoegd was tot opschorting van haar aflossingsverplichting en renteverplichting. Het hof verwerpt het verweer van Euretco en heeft de vorderingen van Naeije alsnog toegewezen.

De Hoge Raad laat het oordeel van het hof niet in stand en verwijst naar het leerstuk van de samenhangende overeenkomsten. Volgens de Hoge Raad heeft het hof eraan voorbijgezien dat de koopovereenkomst en de geldleningsovereenkomst zo zeer samenhangen dat een tekortkoming in de nakoming van de balansgarantie – die is opgenomen in de koopovereenkomst – ertoe kan leiden dat Euretco haar renteverplichtingen – die voortspruiten uit de geldleningsovereenkomst – mocht opschorten. Het feit dat het due diligence onderzoek pas na de ontbindingsverklaring was afgerond en dat Naeije ten tijde van de buitengerechtelijke ontbinding nog geen verplichting had om mee te werken aan de in de aanpassingsclausule voorschreven procedure, doet volgens de Hoge Raad niet af aan de opeisbaarheid van de uit de gestelde wanprestatie van Naeije voortvloeiende vordering van Euretco. Ook de omstandigheid dat de door Euretco gestelde wanprestatie ter zake van de balansgarantie door Naeije werd betwist, en dus nog niet vaststond op het moment dat de rentebetalingen werden opgeschort, staat er volgens de Hoge Raad op zichzelf niet aan in de weg dat Euretco op dat moment wel reeds een opeisbare tegenvordering had.

Het is aan de rechter om te onderzoeken of de tegenvordering bestaat en of deze tegenvordering de opschorting kan rechtvaardigen. De rechter kan volstaan met een voorhands oordeel omtrent het bestaan en de omvang van de tegenvordering. Het risico omtrent de juistheid van dat voorhands oordeel komt wel voor de partij die opschort. Het verdient dan ook veelal de voorkeur de uitkomst van een nadere procedure af te wachten en de zaak aan te houden alvorens een eindoordeel te geven. Indien de rechter het opschortingsverweer voorhands gegrond acht maar het opschortingsrecht later alsnog ongegrond blijkt te zijn geweest, heeft de partij die opschort zich op eigen risico van het opschortingsverweer bediend. Het is daarbij niet relevant of de rechter dat verweer voorhands gegrond heeft bevonden.

Auteurs

Daphne Castelijns
Advocaat
Utrecht