Schending zorgplicht verzekeraar jegens verzekeringnemer in verband met fiscale gevolgen van een levensverzekeringspolis

28/06/2012

In zijn arrest van 9 maart 2012 (LJN: BU 9206) liet de Hoge Raad het oordeel van het hof in stand, dat de verzekeraar haar zorgplicht jegens verzekeringnemer had geschonden wegens het niet waarschuwen voor de fiscale gevolgen van het afsluiten van een levensverzekeringspolis voor de betreffende verzekeringnemer (“verweerder”).

Feiten

Verweerder diende op 9 oktober 1990 bij zijn tussenpersoon een voor AMEV bestemde aanvraag in voor een levensverzekering met lijfrenteclausule. Diezelfde dag voldeed verweerder de voor die verzekering voor het eerste jaar verschuldigde premie aan de tussenpersoon, die deze premie op 15 oktober 1990 had afgegeven aan het rayonkantoor van AMEV. Het hoofdkantoor van AMEV gaf het polisblad af op 17 oktober 1990, nadat zij de premie van het rayonkantoor had ontvangen.

Op 15 oktober 1990 maakte de Staatssecretaris van Financiën bekend dat premies voor levensverzekeringen die werden afgesloten op of na 16 oktober 1990 slechts tot en met 31 december 1991 fiscaal aftrekbaar zouden zijn. Voor levensverzekeringen die vóór 16 oktober 1990 waren afgesloten, konden de premies gedurende de gehele looptijd van de verzekering fiscaal in mindering worden gebracht.

In een persbericht van 26 oktober 1990 gaf het Ministerie van Financiën antwoord op de vraag wanneer een polis vóór 16 oktober 1990 is afgesloten in het kader van de hiervoor genoemde fiscale regeling. Het ministerie gaf aan dat dit het geval was als vóór 16 oktober 1990 volledige wilsovereenstemming was bereikt tussen verzekeraar en verzekeringnemer. Gevolg hiervan was dat de premies van de polissen die hieraan voldeden gedurende de gehele looptijd fiscaal in mindering konden worden gebracht en dat de premies van de polissen die hieraan niet voldeden slechts tot en met 31 december 1991 fiscaal aftrekbaar waren.

De Belastingdienst stelde zich in het onderhavige geval op het standpunt dat de levensverzekering tussen verweerder en AMEV ná 15 oktober 1990 tot stand was gekomen, zodat de premie slechts over de periode tot en met 31 december 1991 kon worden afgetrokken. De Belastingdienst legde verweerder op grond daarvan een naheffing op.

Bestuursrechtelijk bezwaar en beroep en vordering verweerder bij de rechtbank

Tegen de navorderingsaanslag van de Belastingdienst maakte verweerder vruchteloos bezwaar. Verweerder bestreed de beslissing op bezwaar evenmin succesvol in beroep en cassatieberoep. Vervolgens stelde verweerder een civielrechtelijke vordering in bij de rechtbank. Hij vorderde een verklaring voor recht dat ASR (als rechtsopvolgster van AMEV) wanprestatie heeft gepleegd door hem een ondeugdelijk product te verkopen, alsmede veroordeling van ASR tot vergoeding van de door hem geleden schade op te maken bij staat. De rechtbank wees de vorderingen af.

Hof en Hoge Raad

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde ASR tot vergoeding van de door verweerder als gevolg van de schending van haar zorgplicht geleden schade, nader op te maken bij staat. Het hof overwoog hiertoe onder meer i) dat AMEV van het aanzienlijke financiële belang voor verweerder van de aftrekbaarheid van de premies op de hoogte was, ii) dat op AMEV in de gegeven omstandigheden een zorgplicht rustte om verweerder te waarschuwen voor het risico dat de door hem gesloten overeenkomst niet onder het fiscale regime van aftrekbaarheid van de premies zou vallen en iii) dat AMEV die zorgplicht heeft geschonden door verweerder niet te waarschuwen voor het risico dat hij ter zake liep. Dit leidde het hof tot het oordeel dat AMEV ten opzichte van verweerder is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen die op haar rustten als dienstverlener in verband met de (totstandkoming van de) verzekeringsovereenkomst. Tot de “gegeven omstandigheden” die het hof in aanmerking nam bij zijn oordeel dat AMEV haar zorgplicht had geschonden, behoort de omstandigheid dat bij AMEV destijds geen registratie plaatsvond van het moment van ontvangst van aanvraagformulieren voor levensverzekeringen als door verweerder afgesloten. Dit bracht mee dat – zo al mocht worden aangenomen dat de ontvangst van het aanvraagformulier toereikend zou zijn voor de in het kader van de fiscale regeling vereiste wilsovereenstemming – de datum van ontvangst niet bewijsbaar was, hetgeen AMEV bekend was of bekend kon zijn.

De Hoge Raad verwierp het door ASR tegen dit arrest van het hof ingestelde cassatieberoep. ASR klaagde onder meer dat niet valt in te zien dat op haar een waarschuwingsplicht rustte, omdat een waarschuwing verweerder niet meer had kunnen weerhouden van het sluiten van de polis toen AMEV bekend werd met de nieuwe fiscale regeling (persbericht van 15 oktober 1990). De Hoge Raad verwierp dit verweer overwegende dat in deze gedachtegang van het hof besloten ligt dat AMEV verweerder had moeten wijzen op de onzekerheid of de polis naar de mening van de Belastingdienst al dan niet vóór 16 oktober 1990 tot stand was gekomen en dat AMEV eventueel zou hebben moeten instemmen met ontbinding van de overeenkomst, indien verweerder het risico van schade als gevolg van niet-aftrekbaarheid van de premies niet zou hebben willen aanvaarden. Dit oordeel van het hof gaf niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was niet ontoereikend gemotiveerd.

Auteurs

De foto van Danny Theunis
Danny Theunis
Advocaat