Toepassing van de billijkheidscorrectie bij proportionele aansprakelijkheid?

01/02/2013

HR 14 december 2012, LJN BX 8349

De regel van proportionele aansprakelijkheid is bedoeld voor gevallen waarin niet kan worden vastgesteld of de schade is veroorzaakt door een normschending van de aansprakelijk gestelde persoon, dan wel door een oorzaak die voor risico van de benadeelde zelf komt. Er dient sprake te zijn van onzeker causaal verband waarbij de kans dat de schade door de normschending is veroorzaakt niet zeer klein of zeer groot is.[1] Bij toepassing van proportionele aansprakelijkheid kan de rechter een aansprakelijk gestelde persoon veroordelen tot vergoeding van de schade in evenredigheid met de in een percentage uitgedrukte kans dat de schade door zijn normschending is veroorzaakt. Vanwege het bezwaar dat iemand aldus aansprakelijk kan worden gehouden voor een schade die hij mogelijkerwijs niet heeft veroorzaakt, dient proportionele aansprakelijkheid terughoudend te worden toegepast.

In dit arrest beantwoordt de Hoge Raad de vraag in hoeverre een billijkheidscorrectie kan plaatsvinden in het kader van proportionele aansprakelijkheid.

Feiten

Verweerster 2 is op 30 mei 1992 betrokken geraakt bij een verkeersongeval, doordat een bij Nationale-Nederlanden verzekerde auto geen voorrang verleende. Verweerster 2 was ten tijde van het ongeval ongeveer 30 weken zwanger. In 1992 is zij door middel van een keizersnede bevallen van Verweerder 1. Een uur en twintig minuten na zijn geboorte ontstond bij Verweerder 1 'Respiratory Distress Syndrome' ("RDS"). Verweerder 1 kreeg een bloedtransfusie en werd beademd. Enige maanden na zijn geboorte is bij Verweerder 1 een hersenbeschadiging geconstateerd, die later is gediagnosticeerd als 'periventriculaire leucomalacie'("PVL"). Verweerder 1 heeft hieraan blijvend letsel in de vorm van centrale spastische parese overgehouden.

Rechtbank en Hof

Verweerders vorderen in eerste aanleg dat Nationale-Nederlanden veroordeeld wordt tot het betalen van schadevergoeding, stellende dat het letsel van Verweerder 1 is veroorzaakt door het verkeersongeval. Nationale-Nederlanden stelt zich op het standpunt dat de hersenbeschadiging van Verweerder 1 is veroorzaakt door de RDS vlak na de bevalling en dat een prenatale PVL als gevolg van het ongeval slechts een theoretische mogelijkheid is. Zowel vóór als tijdens de procedure in feitelijke aanleg hebben verschillende deskundigen zich uitgelaten over beide mogelijke oorzaken (prenatale PVL ten gevolge van het ongeval en postnatale PVL ten gevolge van RDS).

Volgens de rechtbank moet uit de deskundigenrapportages worden afgeleid dat de hersenbeschadiging bij Verweerder 1 kan zijn veroorzaakt door de prenatale of door de postnatale PVL dan wel door een combinatie van die twee, zonder dat met voldoende zekerheid is vast te stellen in welke mate deze schade door deze gebeurtenissen dan wel één daarvan is ontstaan. In verband met dit onzeker causaal verband kiest de rechtbank voor een proportionele benadering. De kans dat de hersenbeschadiging is toe te rekenen aan de prenatale PVL ten gevolge van het ongeval wordt op basis van het deskundigenbericht vastgesteld op 50%. De rechtbank veroordeelt Nationale-Nederlanden tot vergoeding van 50% van de materiële en immateriële schade en verwijst de zaak naar de schadestaatprocedure.

Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een onzeker causaal verband. Het hof meent net als de rechtbank dat een proportionele benadering op zijn plaats is. Het hof neemt daarbij het oordeel van de rechtbank over dat de kans dat het verkeersongeluk de schade heeft veroorzaakt 50% is.

In hoger beroep hebben verweerders echter ook een beroep gedaan op de billijkheidscorrectie om de veroorzakingskans (50%) die door de rechtbank in het kader van de proportionele aansprakelijkheid is vastgesteld te verhogen. Hierdoor zou Nationale-Nederlanden voor meer dan 50% aansprakelijk zijn voor de schade van Verweerder 1.

Ten aanzien van de door Verweerders ingeroepen billijkheidscorrectie, oordeelt het hof vervolgens dat het mogelijk moet zijn, met analoge toepassing van de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 lid 1 BW, de veroorzakingskans aan te passen indien de omstandigheden hiertoe nopen, mits dit met terughoudendheid gebeurt. In dit geval acht het hof een correctie van 10% op zijn plaats zodat Nationale-Nederlanden – volgens het hof – aansprakelijk is voor 60% van de schade.

Hoge Raad

Nationale-Nederlanden voert in cassatie aan dat bij proportionele aansprakelijkheid geen ruimte bestaat om de veroorzakingskans (vastgesteld door toepassing van de proportionele benadering) aan te passen door middel van een billijkheidscorrectie. Een billijkheidscorrectie zou alleen dan mogelijk zijn, binnen de grenzen van het beoordelingskader van de proportionele aansprakelijkheid, bij toepassing van eigen schuld of een andere in de wet voorziene regeling. Hiervan is volgens Nationale-Nederlanden in dit geval geen sprake.

De Hoge Raad oordeelt dat indien met toepassing van de regel van proportionele aansprakelijkheid een percentage voor de vergoedingsplicht van de aansprakelijke persoon is bepaald, en vervolgens dat percentage op grond van een billijkheidscorrectie verhoogd zou worden, deze verhoging verder zou gaan dan door de regel van de proportionele aansprakelijkheid wordt gerechtvaardigd, en op gespannen voet staat met de in het arrest Fortis/Bourgonje bedoelde terughoudendheid. Onder specifieke omstandigheden kan artikel 6:101 BW wel aanleiding geven tot een vermindering van de (op basis van proportionele aansprakelijkheid vastgestelde) vergoedingsplicht en eventueel tot een billijkheidscorrectie als in dat artikellid bedoeld. Daarvoor moet sprake zijn van causale omstandigheden aan de zijde van de benadeelde die niet reeds verdisconteerd (konden) zijn in het kader van de proportionele aansprakelijkheid zelf.

Conclusie

De Hoge Raad beslist dat bij toepassing van proportionele aansprakelijkheid geen ruimte bestaat om door middel van de billijkheidscorrectie een hoger percentage van de vergoedingsplicht aan te nemen. Dit laat onverlet dat bij een beroep op eigen schuld de vergoedingsplicht wel verminderd zou kunnen worden door de billijkheidscorrectie. Voorwaarde is wel dat sprake dient te zijn van causale omstandigheden aan de zijde van de benadeelde die niet reeds verdisconteerd (konden) zijn in het kader van de proportionele aansprakelijkheid zelf.

[1] HR 31 maart 2006, NJ 2011, 250 (Nefalit/Karamus); HR 24 december 2010, NJ 2011, 251 (Fortis/Bourgonje)