Tuchtrechter KNVB eerlijke dopingrechter

23/06/2009

Een amateurvoetbalspeler, uitkomend in de zondaghoofdklasse, is bij uitspraak van de Tuchtcommissie van de KNVB van het district Zuid 2 schuldig bevonden aan overtreding van het dopingreglement KNVB. Hij is uitgesloten van deelname aan alle bindende competitie- en bekerwedstrijden voor de duur van twee jaar tot 15 april 2009.

De voetballer heeft beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep van de KNVB. De Commissie heeft de eerdere uitspraak bevestigd.

De voetballer is echter van mening dat er geen sprake is geweest van een eerlijk en zorgvuldig proces en start een civiele procedure (kort geding) waarin hij vordert dat de KNVB wordt veroordeeld om de schorsing niet langer ten uitvoer te leggen.

De Voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen.Het Gerechtshof in Amsterdam heeft bij arrest van 2 december 2008 deze uitspraak bevestigd. Hieronder wordt deze uitspraak kort besproken.

De voetballer heeft een beroep gedaan op artikel 6 van het Europees Vedrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Artikel 6 van het EVRM bepaalt dat iedereen recht heeft op een eerlijk proces.

De voetballer heeft in het onderhavige geval gesteld dat, omdat de Tuchtcommissie van de KNVB het hem verweten dopinggebruik ten laste heeft gelegd en diezelfde Tuchtcommissie daarover een oordeel heeft gegeven, er sprake is geweest van strijdigheid met het recht op behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige tuchtrechtsprekende macht.

Het Gerechtshof te Amsterdam oordeelde op dit punt dat artikel 6 EVRM een burger waarborgen geeft in verband met het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen, alsmede het bepalen van de gegrondheid van een tegen deze burger ingestelde vervolging. Naar de mening van het Gerechtshof valt deelname aan (niet-professionele) voetbalwedstrijden hier <SPAN style="TEXT-DECORATION: underline">niet</SPAN> onder. Dit betekent dat er geen sprake is geweest van een schending van artikel 6 EVRM.

De voetballer had verder nog een aantal grieven tegen het oordeel van de Voorzieningenrechter aangewend, die in essentie hierop neerkwamen dat hij van mening was dat de Tuchtcommissie en de Commissie van Beroep in alle redelijkheid niet tot bewezenverklaring van de dopingovertreding konden komen. De voetballer had namelijk een haartest aangeboden als tegenbewijs tegen de uitslag van het urineonderzoek, welke haartest door de Tuchtcommissie en de Commissie van Beroep was uitgesloten als tegenbewijs. De voetballer meende dat het uitsluiten van tegenbewijs in de vorm van haarbewijs zou impliceren dat de tuchtrechterlijke instanties niet in redelijkheid tot de bewezenverklaring hadden komen.

Ook deze grieven faalden.

Vast staat dat in zowel het A-monster als het B-monster van de afgenomen urine van de voetballer de doping is aangetroffen. Op basis van het geldende dopingreglement wordt ten aanzien van de uitslag van het urinemonster vervolgens bepaald dat de uitslag van het onderzoek van het A-monster als bindend wordt aangemerkt, indien deze uitslag wordt bevestigd door de uitslag van het B-monster. Dit stemt overeen met het internationale dopingreglement (de WADA-code). Nu geheel overeenkomstig de inhoud van het dopingreglement en de WADA-code is gehandeld kan niet worden geoordeeld dat de tuchtrechterlijke instanties niet in alle redelijkheid tot de bewezenverklaring hadden kunnen komen. Zij mochten met andere woorden het aangeboden tegenbewijs van de hand wijzen en de uitslag van de haartest buiten beschouwing laten.

Op zichzelf is dit alles niet verrassend, maar wel voor de rechtspraktijk van belang.

Bij de KNVB, een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, bestaat interne tuchtrechtspraak. Uitspraken van tuchtrechters van de KNVB kunnen slechts dan worden vernietigd indien gebondenheid aan deze uitspraken naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Het uitgangspunt is dat (civiele) rechters tuchtrechterlijke uitspraken met terughoudendheid dienen te toetsen. Dit geldt zeker in kort geding.

De onderhavige zaak betreft een dopingzaak. Berechting van dopingzaken is tamelijk specialistisch, mede omdat hierbij juridische, medische én farmacologische aspecten een rol kunnen spelen. Het berechten van dopingzaken moet dan ook aan gespecialiseerde rechters worden overgelaten, bijvoorbeeld arbiters die zijn verbonden aan het Instituut Sport Rechtspraak (ISR) of daartoe bekwame arbiters die op basis van het tuchtrecht van sportbonden kennis van zaken hebben.

In deze zaak heeft echter de civiele rechter inhoudelijk de tuchtrechtelijke uitspraken van de KNVB beoordeeld. Het Gerechtshof in Amsterdam gaat tamelijk diep in op een aantal dopingtechnische aspecten, waarbij de vraag kan worden gesteld in hoeverre voldoende kennis paraat was.

Daarnaast is het niet wenselijk dat er een verkapt hoger beroep ontstaat van een tuchtuitspraak die reeds door de hoogste tuchtrechter van een sportbond is uitgesproken.

Het is daarom ook maar goed dat het Gerechtshof in Amsterdam de vorderingen in hoger beroep van de voetballer heeft afgewezen. Duidelijker had evenwel kunnen (moeten?) worden vermeld dat het nadrukkelijk niet de bedoeling is dat de civiele rechter een hoger beroepsinstantie wordt van de Tuchtrechter.

Auteurs

De foto van Michiel van Dijk
Michiel van Dijk
Partner