Verlies het doel van de Wet natuurbescherming niet uit het oog

03/02/2017

De Wet natuurbescherming (Wnb) en de daarbij behorende uitvoeringsregelgeving, het Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb), zijn nu meer dan een maand geleden in werking getreden (1 januari 2017). Aan de hand van meerdere bijdragen op de website van CMS-overheden, zal de Wnb nader worden toegelicht. In deze bijdrage zal aandacht worden besteed aan het doel van de Wnb.

Algemeen

Voordat nader zal worden ingegaan op het doel van de Wnb, zal eerst kort worden stil gestaan bij de herkomst van de Wnb. In de Wnb zijn de voormalige Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998), de Flora- en faunawet (Ffw) en de Boswet geïntegreerd. De bescherming van natuurgebieden, van dier- en plantensoorten en van houtopstanden is daarmee geconcentreerd in één wet.

De Wnb als zelfstandige wet zal echter geen lang leven beschoren zijn. De inhoud van de Wnb en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving worden bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet opgenomen in de Omgevingswet en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving, de zogeheten Aanvullingswet natuur en een aanvullingsbesluit.

Algemene doelen van de Wnb

Terug naar het doel van de Wnb. In artikel 1.10, eerste lid, van de Wnb zijn de doelen van de Wnb opgenomen. Uit deze bepaling blijkt dat de Wnb is gericht op:

a. het beschermen en ontwikkelen van de natuur;

b. het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies, en

c. het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen.

Gelet op artikel 1.10, tweede lid, van de Wnb dient het bestuursorgaan deze doelen nauwkeurig in acht te nemen bij het nemen van besluiten. Dit artikel bepaalt namelijk dat het bestuursorgaan de taken en bevoegdheden zoals neergelegd in de Wnb uitoefent met het oog op de doelen zoals genoemd in artikel 1.10, eerste lid, van de Wnb. Daarbij dienen bestuursorganen rekening te houden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden (artikel 1.10, derde lid, van de Wnb). De vraag rijst in hoeverre bestuursorganen in de praktijk rekening moeten houden met het doel van de Wnb.

Actieve soortenbescherming

Artikel 1.10 van de Wnb weerspiegelt het principe van de actieve soortenbescherming. Het gaat dan om het (actief) nemen van maatregelen die zijn gericht op het beschermen, herstellen en in stand houden van (leefgebieden voor) soorten. Een voorbeeld is het opstellen van een beschermingsplan door een provincie, welk plan vervolgens wordt uitgevoerd op basis van een specifiek op die soort toegespitst maatregelenpakket (meer concreet: een managementplan voor de rugstreeppad in Flevoland).1 Het enkel opnemen van een stelsel van wettelijke verboden – ook wel passieve soortenbescherming genoemd – wordt door de wetgever niet toereikend geacht.

Het belang van actieve soortenbescherming komt niet zo maar uit de lucht vallen. Het belang van actieve soortenbescherming vloeit onder meer voort uit de artikelen 2 en 3 van de Vogelrichtlijn. Deze artikelen vereisen actieve maatregelen ten behoeve van de bescherming en nadrukkelijk ook het herstel en de verbetering van populaties, biotopen en leefgebieden, in casu voor vogels.2  

Uitoefening door provincie

Op grond van artikel 1.12, eerste lid, van de Wnb dragen de provincies ieder voor zich zorg voor het nemen van de nodige maatregelen in het kader van de actieve soortenbescherming, die ook de zorg behelst voor soorten buiten Natuurnetwerk Nederland.3 Het is dus aan de provincie om te bezien voor welke soorten zij op haar grondgebied welke maatregelen aangewezen acht. Dit heeft tot gevolg dat elke provincie in bepaalde mate zelf kan bepalen waar het accent van het soortenbeleid ligt.

In de praktijk zal de provincie het belang van actieve soortenbescherming onder meer dienen te betrekken bij het opstellen van plannen voor het landelijk gebied, zoals bestemmingsplannen van gemeenten en provincies en waterbeheerplannen van waterschappen. Op die manier zal in een vroeg stadium het belang van dier- en plantensoorten worden meegewogen.4

Dat laat onverlet dat niet precies door de wetgever is beschreven op welke manier een bestuursorgaan afdoende het belang van actieve soortenbescherming heeft betrokken bij het uitoefenen van taken en bevoegdheden, zoals in artikel 1.10, tweede lid, van de Wnb is bepaald. Een aanknopingspunt voor het bestuursorgaan kan gelegen zijn in de motivering van besluiten. Uit het besluit zal – mede om te komen tot een dragende motivering voor een besluit – vervolgens duidelijk moeten worden welke afweging heeft plaatsgevonden ten aanzien van de opgenomen maatregelen in het kader van de actieve soortenbescherming, in samenhang met de te realiseren natuurdoelstellingen uit de Wnb. Naar verwachting zal daarbij ook moeten worden aangegeven op welke manier rekening is gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, alsmede met de regionale en lokale bijzonderheden. In de praktijk zal moeten blijken of op deze manier het doel van de Wnb niet uit het oog wordt verloren.

[1] Kamerstukken II 2013-2014, 33 348, nr. 5, p. 32.

[2] Overigens volgt ook uit het Verdrag inzake biologische diversiteit (artikel 8, onderdelen d en f), het Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijke leefmilieu in Europa (artikel 2) en het Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten (artikelen II en III) een verplichting tot het treffen van actieve beschermingsmaatregelen.

[3] Zie meer informatie over het Natuurnetwerk Nederland.

[4] Kamerstukken II 2013-2014, 33 348m nr. 5, p. 33.

Auteurs

De foto van Elvira Baars
Elvira Baars
Advocaat
Amsterdam