Verlofstuwmeren van arbeidsongeschikte werknemer blijven vooralsnog beperkt

27/01/2010

Onlangs heeft Het Hof van Justitie EG (hierna: Europese Hof) uitgemaakt dat een werknemer die lang ziek is recht houdt op al zijn wettelijke vakantiedagen. De Nederlandse wetgeving is hiermee in strijd. Wat zijn de consequenties van deze uitspraak voor Nederlandse werkgevers?

Nederlandse wetgeving

Iedere organisatie heeft wel één of meerdere langdurig arbeidsongeschikte werknemers in dienst. Deze werknemers kosten de werkgever handen vol met geld. Om de kosten enigszins te beperken kent de Nederlandse wetgeving een regeling dat de volledig arbeidsongeschikte werknemer alleen vakantiedagen opbouwt over de laatste zes maanden waarin geen arbeid is verricht. De overige vakantiedagen vervallen. Een werknemer die recht heeft op 20 vakantiedagen per jaar en al twee jaar ziek is, heeft daardoor nog maar recht op 10 vakantiedagen in plaats van 40.

De gedachte achter deze Nederlandse constructie is dat 'verlofstuwmeren' voorkomen dienen te worden en dat de aan de arbeidsongeschiktheid verbonden kosten beheersbaar moeten blijven voor het bedrijfsleven. Ook de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer bouwt hierdoor slechts vakantiedagen op over de gewerkte uren en niet over de uren waarop hij vanwege ziekte niet heeft kunnen werken.

De Nederlands wet 'veronderstelt' met deze constructie dat tijdens ziekte geen vakantie wordt genoten. Vakantie dient ertoe de werknemer te laten uitrusten van zijn werk. Als een werknemer ziek is, werkt hij niet en dus heeft hij, in theorie, ook geen vakantie nodig.

Europese Hof

Als het aan het Europees Hof ligt gaat deze Nederlandse wetgeving snel veranderen. In het recente arrest Schultz-Hoff en Stringer heeft het Europese Hof namelijk uitgemaakt dat een werknemer die gedurende lange tijd door ziekte niet kan werken en daardoor zijn vakantiedagen niet heeft kunnen opnemen, zijn recht op doorbetaalde vakantiedagen behoudt. De werknemer moet  de mogelijkheid krijgen zijn jaarlijks wettelijke vakantiedagen op te nemen. Deze minimumaanspraak is vier weken per jaar bij een fulltime dienstverband. Vakantiedagen die boven deze minimumaanspraak komen, mogen wel vervallen.

Bovendien heeft het Europese Hof bepaald dat als de werknemer nog arbeidsongeschikt is als zijn dienstverband eindigt (en hij dus niet meer de kans krijgt om zijn vakantiedagen op te nemen), hij recht heeft op een financiële vergoeding voor die dagen.

Kortom, volgens het Europese Hof heeft de werknemer uit het bovenstaande voorbeeld recht op de volledige 40 vakantiedagen of recht op uitbetaling van die dagen.

Gevolgen voor Nederlandse werkgevers

De directe gevolgen van het arrest Schultz-Hoff en Stringer lijken aanzienlijk voor de Nederlandse werkgevers. Uit het bovenstaande blijkt namelijk dat de Nederlandse wetgeving in strijd is met het arrest van het Europese Hof. Vakbonden sporen hun leden aan om door ziekte vervallen vakantiedagen alsnog bij hun werkgevers te vorderen.  Dit zou nog tot vijf jaar na de betreffende arbeidsongeschiktheidsperiode kunnen.

Het is echter nog maar de vraag of een Nederlandse werkgever gebonden is aan het arrest van het Europese Hof en of deze een dergelijke vordering van een werknemer zal moeten betalen.

Momenteel zijn de gevolgen van het arrest beperkter dan verwacht. Werknemers kunnen zich namelijk niet direct beroepen op de Europese richtlijn, omdat deze in beginsel slechts de lidstaten bindt. De Europese richtlijn dient eerst omgezet te worden in nationaal recht. In Nederland is dat nog niet gebeurd en daarom kan een werknemer zich jegens de werkgever niet direct op de werking van de Europese richtlijn over de opbouw van vakantiedagen beroepen.

Als een werknemer zich echter tot de kantonrechter wendt met de vraag of hij op grond van het arrest van het Europese Hof en de Europese richtlijn alsnog recht heeft op de tijdens de arbeidsongeschiktheidsperiode opgebouwde, maar niet genoten vakantiedagen, dan rust op de nationale rechter een zware inspanningsverplichting om de toepasselijke nationale regelgeving zoveel mogelijk te interpreteren conform de Europese richtlijn. Hierbij mag de Nederlandse rechter echter niet ingaan tegen de bedoeling van de tekst van de Nederlandse wet, ook al is deze in strijd met de, in rang hogere, Europese richtlijn.

Hof Amsterdam

In het kader hiervan oordeelde het Hof Amsterdam op 10 november 2009 dat een uitleg over de opbouw van de vakantiedagen conform de Europese richtlijn in strijd is met de Nederlandse wetgeving op dit gebied. Het is aan de wetgever om zijn regelgeving op dit punt in overeenstemming met de richtlijn te brengen. Of deze wijziging er op de korte termijn zal komen is nog niet duidelijk.

Conclusie

Totdat de Nederlandse wetgeving over de opbouw van vakantiedagen tijdens een arbeidsongeschiktheidsperiode niet is aangepast, is de werkgever niet verplicht om de door een werknemer gevorderde, tijdens de arbeidsongeschiktheidsperiode opgebouwde, maar niet genoten vakantiedagen uit te betalen. De uitspraak van het Europese Hof heeft dus (nog) geen consequenties voor de Nederlandse werkgevers. Wel zouden werkgevers er verstandig aan doen voorzieningen te treffen voor het moment dat de Nederlandse wet op dit punt wordt gewijzigd.