Voordeelstoerekening in effectenleasezaken

24/02/2017

In zijn arrest van 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164) laat de Hoge Raad zich uit over de wijze waarop behaalde voordelen uit effectenleaseovereenkomsten moeten worden verdisconteerd in de toe te kennen schadevergoeding (voordeelstoerekening). Een particuliere belegger die schadevergoeding vordert wegens een schending van de zorgplicht door (de rechtsvoorgangsters van) Dexia (hierna kortweg 'Dexia'), kan voordelen hebben behaald op de effectenleaseovereenkomst waarop die vordering betrekking heeft of op andere effectenleaseproducten van de aanbieder. In beide gevallen komen deze voordelen op de toe te kennen schadevergoeding in mindering voor zover dat redelijk is (HR 29 april 2011, NJ 2013/40). Het onderhavige arrest schrijft voor hoe dergelijke voordelen in de schadebegroting dienen te worden verdisconteerd.

Feiten, rechtbank

Dexia heeft met verweerder verscheidene effectenleaseovereenkomsten gesloten. Dexia vordert een verklaring voor recht dat zij ten aanzien van de effectenleaseovereenkomsten aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer is verschuldigd aan verweerder. Verweerder vordert in reconventie een verklaring voor recht dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld bij het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten. Aan deze vordering ligt de stelling ten grondslag dat het batig saldo dat een aantal effectenleaseovereenkomsten heeft opgeleverd moet worden verrekend met de schade als gevolg van de verliesgevende overeenkomsten en dat dit eerst in mindering moet worden gebracht op de termijnen en vervolgens op de restschuld. De kantonrechter heeft onder meer geoordeeld dat Dexia haar bijzondere zorgplichten heeft geschonden en daarom onrechtmatig heeft gehandeld jegens verweerder. Verweerder heeft schade geleden in de vorm van verschuldigde termijnen en restschuld. Er is causaal verband aanwezig tussen die schade en die onrechtmatige daad. Onduidelijk is op welke wijze het batig saldo en de andere voordelen uit eerdere overeenkomsten moet worden verrekend. De kantonrechter ziet daarin aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad.

Hoge Raad

Ten aanzien van de vermelding door de kantonrechter dat de prejudiciële vragen geen betrekking hebben op gevallen waarin geen sprake was van een 'onaanvaardbare zware financiële last' verdient het volgende opmerking, aldus de Hoge Raad. Onder de schade – als de nadelige financiële gevolgen voor de afnemer van het aangaan van de overeenkomst – die de aanbieder in beginsel dient te vergoeden, worden zowel de termijnen als de eventuele restschuld begrepen (HR 5 juni 2009, NJ 2012/182). Het onderscheid tussen gevallen waarin wel en die waarin geen sprake was van een 'onaanvaardbare zware financiële last' heeft betekenis bij de toepassing van art. 6:101 BW (HR 5 juni 2009, NJ 2012/182). Zoals hierna zal blijken, heeft dit onderscheid geen betekenis voor het in aanmerking nemen van voordelen in de schadebegroting in effectenleasezaken.

De Hoge Raad zet vervolgens uiteen hoe de voordeelstoerekening in effectenleasezaken dient plaats te vinden. De essentie daarvan is dat (i) wordt vastgesteld welke voordelen in aanmerking komen voor voordeelstoerekening en (ii) dat de som van die voordelen in mindering wordt gebracht op het nadeel, en wel (iii) volgens eenvormige regels die bepalen op welke wijze het aldus vastgestelde voordeel wordt toegerekend op twee of meer te vergoeden schadeposten. In de voordeelstoerekening in effectenleasezaken worden (iv) de tijdstippen waarop voordelen zijn genoten niet in aanmerking genomen. Ten slotte vindt (v) geen voordeelstoerekening in effectenleasezaken plaats op de ten tijde van de schadebegroting reeds verschenen wettelijke rente omdat een aanspraak op wettelijke rente over nadeel dat bij de voordeelstoerekening tegen voordelen wegvalt, moet worden geacht niet te zijn ontstaan, aangezien die de schadeberekening te veel zou compliceren. Slechts over het nadeel dat na voormelde wijze van voordeelstoerekening resteert, kan overeenkomstig het arrest HR 1 mei 2015, NJ 2015/425 wettelijke rente in aanmerking worden genomen.

Toerekening van voordeel op termijnen en restschuld

De Hoge Raad licht het toerekenen van voordeel op termijnen en restschuld uitgebreid toe. Allereerst moet onderscheid worden gemaakt tussen het voordeel dat de afnemer heeft behaald uit effectenleasetransacties waarop de schadevergoedingsvordering betrekking heeft en een batig saldo van effectenleasetransacties uit hoofde van dezelfde of andere effectenleaseovereenkomsten met dezelfde aanbieder. Met voordeel worden dividenden of andere opbrengsten van de transacties bedoeld. Voorts dienen de bedragen van die voordelen die de afnemer heeft behaald uit effectenleasetransacties waarop de schadevergoedingsvordering betrekking heeft bij elkaar te worden opgeteld. Bij het bepalen van het in aanmerking te nemen batig saldo uit andere effectenleasetransacties uit hoofde van dezelfde of andere effectenleaseovereenkomsten met dezelfde aanbieder, is volgens de Hoge Raad het volgende van belang.

De voordelen die de afnemer heeft behaald dienen in een samenhangend geheel van telkens soortgelijke transacties in een bepaalde periode waarbij de aanbieder telkens is tekortgeschoten in de nakoming van de op hem rustende bijzondere zorgplicht in de toe te kennen schadevergoeding te worden betrokken voor zover dat redelijk is. In de feitenrechtspraak wordt als uitgangspunt gehanteerd dat dergelijke voordelen buiten beschouwing blijven als ten minste een jaar is verstreken tussen de feitelijke einddatum van een effectenleasetransactie die met een batig saldo is geëindigd – in het algemeen: dat datum waarop de geleasete effecten zijn verkocht – en het tijdstip waarop dezelfde afnemer nadien een of meer effectenleasetransacties is aangegaan ten aanzien waarvan de aanbieder tot schadevergoeding is gehouden. Vanuit een oogpunt van consistente rechtspraak acht de Hoge Raad het wenselijk dat deze termijn, die op zichzelf valt onder de vrijheid van de rechter bij de schadevaststelling en schadebegroting, in alle gevallen wordt gehanteerd.

Een batig saldo uit andere effectenleasetransacties uit hoofde van dezelfde of andere effectenleaseovereenkomsten met dezelfde aanbieder dat voor voordeelstoerekening in aanmerking komt, dient ten behoeve van die voordeelstoerekening te worden opgeteld bij de hiervoor genoemde voordelen, namelijk bedragen van voordelen die de afnemer heeft behaald uit effectenleasetransacties waarop de schadevergoeding betrekking heeft.

Vervolgens komt de som van alle voordelen op de volgende wijze in aanmerking voor voordeelstoerekening. De toerekening van die voordelen dient in de eerste plaats te geschieden op het nadeel bestaande in termijnen. Dit gebeurt in de volgorde waarin dat nadeel is ontstaan, dus waarin termijnbedragen achtereenvolgens verschuldigd zijn geworden, ongeacht of zij zijn voldaan. De toerekening geschied van oud naar jong volgens de tijdstippen van verschuldigd worden, en naar evenredigheid ingeval termijnbedragen gelijktijdig verschuldigd zijn geworden. Resteert dan nog een bedrag van die voordelen, dan wordt dit toegerekend op de eventuele restschuld. Een aanspraak op wettelijke rente over het gedeelte van de termijnen en de restschuld dat bij de voordeelstoerekening wegvalt tegen voordelen, wordt geacht niet te zijn ontstaan, aldus de Hoge Raad.

Opmerking verdient volgens de Hoge Raad nog het volgende. Is een beroep op zowel voordeelstoerekening als eigen schuld (art. 6:101 BW) gedaan, dan behoort eerst het beroep op voordeelstoerekening te worden beoordeeld en daarna het beroep op eigen schuld. De Hoge Raad komt dus terug van zijn oordeel in het arrest HR 29 april 2011, NJ 2013/40 dat deze chronologie geen rol speelt in gevallen waarin het nadeel bestaande uit termijnen met toepassing van art. 6:101 BW geheel voor rekening van de afnemer blijft.

Verrekening en de wijze waarop voordelen zijn genoten

Ten slotte gaat de Hoge Raad in op verrekening en de wijze waarop voordelen zijn genoten. Nu de nadelige financiële gevolgen voor de afnemer die de aanbieder in beginsel als schade dient te vergoeden, de termijnen en de restschuld omvatten (vgl. HR 5 juni 2009, NJ 2012/182), komen als schade in aanmerking de betalingsverplichtingen die zijn ontstaan uit hoofde van een effectenleaseovereenkomst waarop een vordering tot schadevergoeding betrekking heeft en terzake waarvan de aanbieder schadeplichtig is. Voor het antwoord op de vraag of het bedrag van een dergelijke betalingsverplichting als schade in aanmerking moet worden genomen, is niet bepalend of aan die betalingsverplichting is voldaan door middel van betaling, verrekening of anderszins. Voor voordelen dient in het in de art. 6:95 e.v. BW neergelegde stelsel van schadebegroting een zelfde benadering te gelden. Indien een voordeel in de schadebegroting in effectenleasezaken in aanmerking behoort te worden genomen, is dus niet van belang of het voordeel is genoten door middel van verrekening, betaling of anderszins.

Auteurs

De foto van Charlotte Kaspersen
Charlotte Kaspersen
Advocaat