Vrouw krijgt machtiging om woning die aan man in convenant was toebedeeld te gelde te maken.

22/06/2010

Man en vrouw waren in gemeenschap van goederen gehuwd. Na de ontbinding van het huwelijk is een convenant gesloten ondermeer inhoudende dat de echtelijke woning aan de man werd toebedeeld. Ook is bepaald dat het convenant niet kon worden ontbonden<BR>De man raakte enkele maanden later werkeloos en kon niet meer voldoen aan zijn verplichting een nieuwe hypotheek te sluiten met ontslag van de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid.

De vrouw vraagt aan de kantonrechter machtiging om de woning te gelde te maken.

De kantonrechter wijst dit verzoek af maar het Hof stelt de vrouw wel in het gelijk.

Het eerste verweer van de man was dat dit verzoek inhield een partiële ontbinding van het convenant hetgeen in het convenant was uitgesloten. De Kantonrechter geeft hierin de man gelijk maar stelt voorts ook nog, dat indien anders zou worden geoordeeld, een belangenafweging vooralsnog leidt tot afwijzing van het verzoek. De man kreeg vervolgens nog een jaar de tijd om aan zijn verplichting te voldoen.

Het Hof oordeelt heel anders en stelt ondermeer het volgende:

De machtiging tot ten gelde maken leidt niet tot ontbinding van de overeenkomst ook niet in materieel opzicht maar tot nakoming van de verplichtingen van de man.

De woning blijft toebedeeld aan de man. Op hem blijft ook het risico rusten van meer / minderopbrengst en hij blijft verantwoordelijk voor de daarop rustende hypotheek.

Ook stelt het Hof dat ontbinding of geheel of gedeeltelijke wijziging van het convenant op grond van art. 6:258 B.W. niet uitgesloten is: de werkeloosheid van de man en de daaruit voortvloeiende onmacht voor hem om de vrouw te ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire verplichtingen kan worden aangemerkt als zo'n onvoorziene omstandigheid.

De kantonrechter had, de belangen tussen partijen, afwegende geoordeeld dat de wens van de vrouw om "door te gaan met haar leven en geen verplichtingen uit haar huwelijk meer te hebben" geen gewichtige reden opleverde zoals vereist in artikel 3: 174 B.W. en had om die reden de man nog een jaar gegund.

Het Hof doet dat niet en overweegt ondermeer dat de vrouw wel degelijk belang er bij heeft  met haar leven te kunnen doorgaan. Daarbij speelt dat de vrouw zolang zij niet is ontslagen uit haar hypothecaire verplichting zelf geen eigen hypotheek kan afsluiten.

Bovendien is ze niet verplicht in een gemeenschap te blijven zeker niet nog 2 jaar na de ontbinding van het huwelijk en inmiddels ook al bijna een jaar na de uitspraak van de rechtbank, ook niet als deze al obligatoir verdeeld is. Voorts werd overwogen dat de man ook geen enkel uitzicht had op een baan. Ook werd de economische crisis niet aangemerkt als overmacht, zoals de man betoogde. Het emotionele - en woonbelang van de man om in de woning te kunnen blijven wonen werd te licht bevonden.<BR>Door de woning te verkopen kan hij voldoen aan zijn verplichten uit het convenant.

Het Hof merkte ten overvloede nog op dat onder de machtiging  "om alles te doen wat noodzakelijk is voor de verkoop van deze onroerende zaak" ook moet worden begrepen de bevoegdheid van de vrouw om met de in te schakelen makelaar de woning te betreden ten einde potentiële kopers rond te leiden die het pand willen bezichtigen, ook tegen de wil van de man. De minimale verkoopprijs zal worden gesteld op 90% van WOZ waarde, peildatum 1 januari 2009.