Weg-contracteren van de WNT via een vaststellingovereenkomst: no-go?

12/02/2015

Het ná de inwerkingtreding van de WNT[1] per 1 januari 2013 overeenkomen van een ontslagvergoeding die hoger is dan € 75.000,- bruto is niet toegestaan. Voor al eerder gemaakte afspraken geldt in principe een overgangsregeling die tot 1 januari 2017 van toepassing is. Tot die datum blijven de gemaakte afspraken gelden. Er is een grijs gebied, waarvan een recent gepubliceerde uitspraak van de Kantonrechter Zutphen[2] een treffend voorbeeld is.

Inhoud van de zaak

Feiten

In 2002 is een werknemer als directeur bij de Kamer van Koophandel ("KvK") in dienst getreden. Drie jaar later is in een addendum op de arbeidsovereenkomst vastgelegd dat de directeur bij ontslag aanspraak zou kunnen maken op een vergoeding, gelijk aan een jaarsalaris van € 207.500,- bruto. De KvK en de directeur vallen onder de werkingssfeer van de WNT.  

Vanwege een reorganisatie in 2013 komt de functie van de directeur te vervallen. Nog diezelfde maand wordt de arbeidsovereenkomst via een vaststellingsovereenkomst beëindigd, onder toekenning van "de" ontslagvergoeding van € 207.500, - bruto.

Twee maanden nadat de overeenkomst is ondertekend, verzoekt de KvK de directeur om het bedrag boven de WNT-norm van € 75.000,- bruto (€ 132.500,- bruto) terug te betalen vanwege vermeende strijd met de WNT. De KvK stelt dat bij een eerdere verlenging van het dienstverband in 2009 niet is overeengekomen dat het addendum waarin de ontslagvergoeding was vastgelegd, van toepassing is gebleven. Daarbij stelt de KvK dat (sluiten van) de vaststellingsovereenkomst in strijd is met dwingend recht: de WNT. Met andere woorden: de KvK claimt € 132.500 bruto terug van de directeur.

Beoordeling kantonrechter

De kantonrechter Zutphen stelt voorop dat de WNT dwingend recht is en hier niet in strijd mee mag worden gehandeld. In deze situatie is aldus de kantonrechter niet komen vast te staan dat de KvK en de directeur moedwillig in strijd hebben gehandeld met de WNT. Naar de beoordeling van de kantonrechter verkeerden de KvK en directeur bij het aangaan van de exit-regeling in de veronderstelling dat de regeling paste binnen het systeem van de WNT. De kantonrechter laat in het midden of het addendum geldig is gebleven en de exit-regeling derhalve onder het overgangsrecht valt. Het oogmerk en de wederzijdse bedoeling bij het sluiten van de overeenkomst worden doorslaggevend geacht. De slotsom is dat de KvK de ontslagvergoeding niet (gedeeltelijk of volledig) van de directeur kan terugvorderen.

Aandachtspunten en conclusie 
Deze uitspraak is vanuit een civiele invalshoek niet 'opmerkelijk', want is in lijn van de wet en vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat het toegestaan is om ter beëindiging van een mogelijk toekomstig geschil over (de wijze van) ontslag een vaststellingsovereenkomst te sluiten. Voorwaarde is dan wel dat partijen niet eigenlijk de bedoeling hebben om in strijd met dwingend recht, in dit specifieke geval in strijd met de WNT te handelen. Wanneer de WNT nader wordt beschouwd, betekent het echter niet dat de directeur in kwestie 100% zekerheid heeft dat hij de ontslagvergoeding volledig kan behouden. Op grond van de WNT heeft de overheid namelijk de bevoegdheid om van de directeur in privé het bedrag van de ontslagvergoeding (lees: het bedrag bóven de € 75.000,- bruto) terug te vorderen. Ook is het de vraag of de controlerend accountant een goedkeurende verklaring op de jaarrekening zal afgeven als er gerede twijfel is over de rechtmatigheid van een getroffen ontslagregeling. De overheid en/of de accountant zullen echter wel moeten kunnen aantonen dat de regeling evident in strijd is met de WNT. Gelet op de bedoelingen van de directeur en de KvK én de schriftelijk afspraken die in de bovenvermelde kwestie zijn gemaakt, lijkt dit een lastige bewijspositie te zijn.

In meer algemene zin maakt de uitspraak van de kantonrechter Zutphen evenwel inzichtelijk dat het van groot belang is om bij het treffen van een minnelijke regeling in de semipublieke en publieke sector alert te zijn: in het bijzonder door vooraf een kritische beoordeling te maken van de inhoud en strekking van de (beoogde) ontslagregeling, het moment waarop deze afspraken zijn gemaakt, de toepasselijkheid van overgangsrecht, de wederzijdse bedoelingen op het moment van sluiten van de ontslagregeling en de wijze waarop de arbeidsrelatie uiteindelijk wordt afgewikkeld.                   

[1] Voluit: Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector.

[2] Vindplaats: ECLI:NL:RBGEL:2014:784.