Wie is de auteursrechthebbende na beëindiging van een softwareontwikkelingsovereenkomst?

27/07/2009

De Nederlandse gaming industrie is de afgelopen jaren aanzienlijk gegroeid. De afgelopen vijf jaar is de omzet in deze markt met gemiddeld 10% per jaar gestegen. Een (snel) groeiende markt brengt onherroepelijk problemen met zich mee, en dus ook juridische geschillen. Aan wat voor geschillen kan men in geval van de gaming industrie denken?

Onlangs kreeg het Gerechtshof Amsterdam de vraag wie auteursrechthebbende is ten aanzien van een computerspel na beëindiging van een softwareontwikkelingsovereenkomst. Het betrof een geschil tussen: de ontwikkelaars (hierna: de ontwikkelaars) van het computerspel "Sparta - Ancient Wars" en Playlogic: uitgever van het spel.

In 2005 sloten deze partijen een zogenaamde ´softwareontwikkelingsovereenkomst´ met betrekking tot de ontwikkeling van het spel. Na de ontwikkeling en levering in 2007 heeft Playlogic de eindfactuur van de ontwikkelaars niet betaald. Na enige discussie hierover hebben de ontwikkelaars besloten om de overeenkomst te beëindigen en vervolgens een aantal distributeurs aangeschreven om aan te geven dat alle rechten op het spel bij hen berustten.

Voorzieningenrechter
Playlogic stapte daarop naar de voorzieningenrechter. Die oordeelde in 2007 dat Playlogic weliswaar in gebreke was gebleven door niet te betalen, maar dat op grond van de overeenkomst de auteursrechten op het spel door de ontwikkelaars waren overgedragen aan Playlogic en dat zij daarom als auteursrechthebbende moest worden aangemerkt. De ontwikkelaars moesten hun berichten aan distributeurs van het spel stoppen en rectificeren.

Op de vraag of de overeenkomst rechtsgeldig door de ontwikkelaars was beëindigd, kon de voorzieningenrechter geen antwoord geven aangezien dit, volgens hem, afhankelijk was van feitelijke omstandigheden die niet in kort geding konden worden onderzocht. Een eventuele rechtsgeldige beëindiging van de overeenkomst bracht nog niet mee dat de auteursrechten automatisch naar de ontwikkelaars terugkeerden, gezien de voorwaarden van de overeenkomst en de Auteurswet.

Gerechtshof
De ontwikkelaars gingen hierop in hoger beroep tegen dit kort geding vonnis. Ruim twee jaar na de uitspraak van de voorzieningenrechter deed het hof uitspraak (14 juli 2009). Het hof was allereerst van oordeel dat de overeenkomst rechtsgeldig door de ontwikkelaars was beëindigd. Playlogic had immers de factuur niet binnen de overeengekomen termijn betaald en dit gaf de ontwikkelaars het recht de overeenkomst te beëindigen. Verder voldeed de beëindigingsbrief aan de voorwaarden van de overeenkomst.

Vervolgens diende het hof de vraag te beantwoorden wie ten tijde van de beëindiging auteursrechthebbende was en welke gevolgen de beëindiging had daarop. Het hof stelde voorop dat de overeenkomst moest worden aangemerkt als een softwareontikkelingscontract waarbij de ontwikkelaars de rechten op het spel overdroegen aan Playlogic met/tijdens de voortgang van het werk.

Volgens Playlogic waren de auteursrechten ten tijde van de beëindiging volledig aan haar overgedragen en is zij ondanks de beëindiging rechthebbende gebleven. Op grond van de overeenkomst dient zij de rechten slechts terug te leveren zodra de ontwikkelaars een andere uitgever voor het spel hebben gevonden, en alle door Playlogic betaalde bedragen zijn terugbetaald. Volgens de ontwikkelaars zag dit laatste slechts op de omvang van over en weer te betalen vergoedingen en was ten tijde van beëindiging (nog) geen sprake van (een volledige) overdracht van auteursrechten, maar slechts van een licentie, die door de beëindiging van de overeenkomst is geëindigd.

De uitleg van Playlogic zou volgens het hof leiden tot het ongerijmde resultaat dat de beëindiging van de overeenkomst wegens een tekortkoming van Playlogic weliswaar meebrengt dat zij de eindfactuur nog moet voldoen, maar dat zij niettemin volledig auteursrechthebbende is en door de beëindiging geen royalty's meer hoeft af te dragen aan de ontwikkelaars. Ook de uitleg van de ontwikkelaars riep echter bij het hof vragen op.

Het hof kwam daarom tot de conclusie dat voor beantwoording van dit punt nader onderzoek nodig is, waarvoor een kort geding zich niet leent. Omdat onvoldoende kan worden vastgesteld dat de ontwikkelaars zich ten onrechte als rechthebbenden hebben bekendgemaakt, vernietigd het hof het vonnis van de voorzieningenrechter (lees de uitspraak hier). Kortom: het is onvoldoende duidelijk geworden wie nu auteursrechthebbende is. Voor antwoord op deze vraag zullen partijen een bodemprocedure moeten beginnen.

Conclusie
Procedures als hierboven beschreven zijn helaas geen zeldzaamheid te noemen. Beëindiging van een overeenkomst is in alle rechtsgebieden een cruciaal onderdeel, dit is bij softwareovereenkomsten waarbij auteursrechten in het 'spel' zijn des te meer het geval. Partijen dienen bij het sluiten van een softwareontwikkelingsovereenkomst goed te beseffen dat zij duidelijk moeten omschrijven aan wie de auteursrechten op de software toe komen, wanneer en hoe die worden overgedragen en wat er gebeurt met de auteursrechten en eventuele royalty's ingeval van (voortijdige) beëindiging van de overeenkomst. Doen zij dat niet dan kan dit, zoals in dit geval, leiden tot kostbare juridische procedures die te ingewikkeld zijn om in kort geding te kunnen beslechten.