Wordt de vrijheid van verzekeraars om de grenzen van hun dekking te bepalen aangetast?

28/06/2016

Gerechtshof Amsterdam 14 juni 2016 ECLI:NL:GHAMS:2016:2297

Sinds HR 9 juni 2006, NJ 2006, 326 (Valschermzweeftoestel) geldt als uitgangspunt dat het de verzekeraar vrijstaat met de dekkingsomschrijving de grenzen te omschrijven waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen. De uitspraak van het hof Amsterdam van 14 juni 2016 staat op gespannen voet met dit uitgangspunt.

Een eigenaar van een auto heeft bij Ansvar een motorrijtuigenverzekeraar met cascodekking afgesloten. De eigenaar heeft de auto aan een dealer (het "garagebedrijf") gegeven (in consignatie) om de auto te verkopen. Nadat de directeur van het garagebedrijf met een geïnteresseerde koper een proefrit heeft gemaakt, is de auto tegenover het bedrijfsgebouw geparkeerd waarna de directeur door een andere klant is aangesproken. De zogenaamde koper is vervolgens weer in de auto gestapt en is met de noorderzon vertrokken. De diefstal is gemeld bij Ansvar die de eigenaar van de auto een vergoeding heeft betaald.

Ansvar heeft in eerste aanleg haar regresvordering tegen het garagebedrijf en haar directeur toegewezen gekregen. Beide partijen gaan in appel en door het garagebedrijf en haar directeur wordt aangevoerd dat zij gezien de consignatieverhouding medeverzekerden zijn onder de polis en dat subrogatie is uitgesloten op basis van artikel 7:962 BW lid 3. Ansvar beroept zich op de uitzondering op dit regresverbod in de laatste zin van het artikel voor het geval dat de medeverzekerde "jegens de verzekerde aansprakelijk is wegens een omstandigheid die afbreuk zou hebben gedaan aan de uitkering indien die omstandigheid aan de verzekerde zou zijn toe te rekenen." Oftewel, als op het gedrag van de medeverzekerde een uitsluiting van toepassing is.

Volgens de polis is van dekking uitgesloten: "schade, veroorzaakt of ontstaan door diefstal, inbraak (of poging daartoe) en joyriding, indien de verzekerde onvoldoende zorg kan worden verweten. Van verwijtbaar onvoldoende zorg is in ieder geval sprake indien de verzekerde het motorrijtuig onbeheerd heeft achtergelaten terwijl is nagelaten dit voldoende af te sluiten en/of de sleutels in het motorrijtuig zijn achtergelaten" (onderstreping auteur).

Mijns inziens is deze uitsluiting van toepassing op de feiten, vooral omdat aangegeven wordt dat het onbeheerd achterlaten met de sleutels in de auto "in ieder geval" onder verwijtbaar onvoldoende zorg valt.

Het hof overweegt echter dat, temeer nu voor deze uitzondering op het regresverbod een beperkte uitleg is aangewezen, een redelijke uitleg meebrengt dat er sprake moet zijn van een "ernstige mate van onzorgvuldigheid". Dit "extra" door het hof gehanteerde vereiste volgt niet uit de wet en lijkt strijdig met het uitgangspunt dat het de verzekeraar vrijstaat de grenzen te bepalen van de dekking. Van ernstige mate van onzorgvuldigheid was volgens het hof geen sprake omdat de directeur in de nabijheid van de auto was gebleven. Dat geen persoonsgegevens waren gevraagd maakte dat niet anders.

NB: de directeur van het garagebedrijf probeerde aansprakelijkheid af te wenden door een beroep te doen op de verhoogde drempel voor aansprakelijkheid bij bestuurdersaansprakelijkheid, dat een ernstig en persoonlijk verwijt vereist. Het hof gaat hierin niet mee en overweegt dat de directeur "wordt aangesproken als (willekeurige) medewerker van [het garagebedrijf] bij de uitoefening van de door dit bedrijf uitgeoefende werkzaamheden en niet als bestuurder van deze vennootschap."

Auteurs

Hendrik-terKuile-CMS-NL
Hendrik ter Kuile
Advocaat
Utrecht