Home / Publicaties / De hoedanigheid van de executeur en toestemming voor...

De hoedanigheid van de executeur en toestemming voor te gelde making

22/06/2010

In 1995 is een nalatenschap opengevallen waarin een executeur is benoemd. Eén van de erfgenamen heeft een kort geding procedure aanhangig gemaakt tegen de executeur teneinde een voorschot uit de erfenis te verkrijgen. In reconventie vordert de executeur van de erfgenaam medewerking aan de te gelde making van goederen van de nalatenschap. De executeur wenst tot openbare verkoop van de goederen over te gaan. Volgens de executeur stelt de erfgenaam onaanvaardbare voorwaarden voor deze verkoop, reden waarom hij thans medewerking vordert. De rechtbank Rotterdam oordeelt op 19 maart 2010 omtrent de bevoegdheden van zowel de executeur als de erfgenaam in deze procedure waarbij beiden niet ontvankelijk werden verklaard. Toch overweegt de rechtbank Rotterdam ook nog inhoudelijk omtrent het verzoek van de executeur.

De erfgenaam heeft de procedure tegen de executeur aanhangig gemaakt, waarbij de erfgenaam de executeur in persoon heeft gedagvaard, in plaats van in zijn hoedanigheid als executeur. De erfgenaam vordert een voorschot uit de erfenis. De rechtbank Rotterdam behandelt dit verzoek niet inhoudelijk, aangezien zij daar niet aan toe komt. De erfgenaam had de executeur immers in hoedanigheid als executeur dienen te dagvaarden, nu de executeur privatief beheer over de nalatenschap heeft en dus als enige beschikkingsbevoegd is. De executeur in persoon is beschikkingsonbevoegd.

Gezien het voorgaande wordt ook de executeur in de reconventionele vordering niet ontvankelijk verklaard. De executeur kan immers niet de medewerking van de erfgenaam vorderen voor de voorgenomen te gelde making van de goederen van de nalatenschap, aangezien de executeur in de procedure niet als executeur is gedagvaard maar in persoon. In persoon is hij evenmin bevoegd op grond van art. 4:145 BW een dergelijk verzoek te doen. Slechts de executeur is daartoe bevoegd.

Nu beide verzoeken zijn afgewezen had de rechtbank Rotterdam de zaak daarmee af kunnen doen. Niettemin overweegt de rechtbank Rotterdam (wellicht ten overvloede) nog omtrent het ingediende verzoek van de executeur. De rechtbank bepaalt dat een dergelijk verzoek van de executeur overbodig is. De executeur is immers op grond van art. 4:147 lid 2 BW zelfstandig bevoegd de goederen van de nalatenschap te gelde te maken. De executeur heeft daartoe geen toestemming van de erfgenamen nodig. Weliswaar dient de executeur zoveel mogelijk in overleg te treden met de erfgenamen, maar een expliciete toestemming is niet vereist. In het testament is in casu ook niets anders bepaald. De executeur had dus zelfstandig tot verkoop kunnen overgaan. Indien de erfgenaam daar bezwaar tegen had willen maken dan had de erfgenaam zich tot de kantonrechter moeten wenden.

Conclusie

De rechtbank Rotterdam schetst in deze uitspraak maar weer eens duidelijk de positie van de executeur ten opzichte van die van de erfgenaam. Van belang is altijd helder voor ogen te hebben in welke hoedanigheid partijen handelen. Laat u adviseren omtrent de hoedanigheid van de procespartijen! Is men wel bevoegd? Het is toch zonde als de zaak daarop misloopt.

Auteurs

Petra-Knoppers-CMS-NL
Petra Knoppers