Home / Publicaties / Geen dwangsom meer wegens niet tijdig beslissen op...

Geen dwangsom meer wegens niet tijdig beslissen op Wob-verzoeken

08/07/2014

Op het niet tijdig beslissen door overheden op verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) moet niet langer een dwangsom staan. Dat stelt de minister in een brief aan de Tweede Kamer van 25 juni 2014. Hiermee wil de minister misbruik van het instrument van de dwangsom bij Wob-verzoeken tegengaan. Het gaat dan om Wob-verzoeken die niet worden ingediend om informatie te verkrijgen maar om geld te verdienen door middel van inning van een dwangsom als de overheidsinstantie in kwestie niet tijdig op dat verzoek beslist.

Op 1 oktober 2009 is de 'Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen' in werking getreden, die bedoeld is om ervoor te zorgen dat overheden, zoals provincies, gemeenten en waterschappen zo snel mogelijk beslissen op aanvragen en bezwaarschriften. Als overheden geen beslissing nemen op een aanvraag of bezwaarschrift binnen de wettelijk vastgestelde beslistermijn moeten zij een vergoeding betalen aan de aanvrager of bezwaarmaker. Vereist is wel dat de overheidsinstantie na verstrijken van de wettelijke beslistermijn eerst schriftelijk in gebreke is gesteld. Als na 14 dagen na de ingebrekestelling nog geen besluit is genomen, gaat de dwangsom lopen die maximaal € 1260,- kan bedragen.

Van die dwangsom blijkt bij de Wob op grote schaal misbruik te worden gemaakt. Het doel van de indiener van het Wob-verzoek is in dat soort gevallen niet het verkrijgen van informatie, maar juist het innen van dwangsommen. Dat misbruik zich vooral voordoet bij de Wob is verklaarbaar. Een Wob-verzoek is vormvrij en kan zelfs mondeling worden ingediend. Het verzoek kan door een ieder worden ingediend, waarbij geen sprake hoeft te zijn van een specifiek belang op die informatie. De enige eis die wordt gesteld, is dat de informatie een ‘bestuurlijke aangelegenheid betreft’ en is neergelegd in documenten. Dit leidt ertoe dat in de praktijk vage of omvangrijke verzoeken om informatie worden ingediend, met als doel het innen van dwangsommen. Er is zelfs sprake van bedrijven die gespecialiseerd zijn in het innen van dergelijke dwangsommen.

De minister wil dit misbruik tegengaan door alle Wob-verzoeken uit te zonderen van de dwangsomregeling. Dat betekent dat straks op het niet tijdig beslissen op Wob-verzoeken geen dwangsom meer staat. Dat betekent niet dat overheden er geen belang meer bij hebben om tijdig op Wob-verzoeken te beslissen. Tegen het niet tijdig beslissen op een Wob-verzoek blijft de mogelijkheid van beroep bij de bestuursrechter open staan, waarmee de verzoeker dus nog steeds een instrument in handen heeft om een bestuursorgaan te dwingen tijdig op zijn Wob-verzoek te beslissen.

Daarnaast is de minister van plan om nog twee aanvullende maatregelen in te voeren, waarbij de eerste aanvullende maatregel ziet op de door de bestuursrechter te stellen beslistermijnen. Als een beroep wegens niet tijdig beslissen door de bestuursrechter gegrond wordt verklaard, dient de rechter (op grond van artikel 8:55d Awb) te bepalen dat binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend wordt gemaakt. Maar als het gaat om omvangrijke of complexe Wob-verzoeken moet de bestuursrechter de mogelijkheid hebben om een ruimere termijn dan die twee weken te stellen, aldus de minister. Het is daarbij wel aan het bestuursorgaan om te onderbouwen hoeveel tijd het nodig denkt te hebben om een besluit te nemen.

De tweede aanvullende maatregel geeft de bestuursrechter de mogelijkheid om een proceskostenvergoeding te onthouden. Als het ingediende beroep wegens niet tijdig beslissen gegrond wordt verklaard ontvangt de verzoeker in principe een proceskostenvergoeding bestaande uit het door hem betaalde griffierecht en eventueel gemaakte proceskosten (bijvoorbeeld vanwege ingeschakelde professionele rechtsbijstand), welk bedrag door de overheidsinstantie in kwestie aan de verzoeker moet worden betaald. De minister wil dat de bestuursrechter de mogelijkheid krijgt om aan een verzoeker een proceskostenvergoeding te onthouden, als blijkt dat toekenning daarvan onbillijk zou zijn. De minister denkt daarbij aan de situatie dat door de opstelling van de verzoeker geen overeenstemming is bereikt over opschorting van de wettelijke beslistermijn en deze vervolgens in beroep is gegaan wegens niet tijdig beslissen.

In het najaar zal de minister een wetsvoorstel tot wijziging van de Wob indienen en het zal dus nog enige tijd duren voordat de aangekondigde maatregelen in de wet zijn verankerd, maar duidelijk is wel dat daarmee het grootschalige misbruik dat thans van het dwangsominstrument bij Wob-verzoeken wordt gemaakt zal worden beëindigd.

Auteurs

Erika-SamuelsBrusse-CMS-NL
Erika Samuels Brusse - van der Linden