Home / Publicaties / Geen subrogatieverbod ten aanzien van ingeleend p...

Geen subrogatieverbod ten aanzien van ingeleend personeel

28/01/2015

In artikel 7:962 lid 3 BW is een subrogatieverbod opgenomen. Het artikel bepaalt:

"De verzekeraar krijgt geen vordering op de verzekeringnemer, een mede-verzekerde, de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of de geregistreerde partner van een verzekerde, de andere levensgezel van een verzekerde, noch op de bloedverwanten in de rechte lijn van een verzekerde, op een werknemer of de werkgever van de verzekerde, of op degene die in dienst staat tot dezelfde werkgever als de verzekerde. Deze regel geldt niet voor zover zulk een persoon jegens de verzekerde aansprakelijk is wegens een omstandigheid die afbreuk zou hebben gedaan aan de uitkering, indien die omstandigheid aan de verzekerde zou zijn toe te rekenen."

In de onderhavige zaak oordeelt de Hoge Raad over de vraag of ingeleend personeel valt onder de categorie 'in dienst staat tot dezelfde werkgever als de verzekerde'.[1]

Feiten

Op 5 juli 2009 hebben Betrokkene en Verweerder een eenzijdig auto-ongeval gehad. De auto werd bestuurd door Verweerder, Betrokkene was inzittende. Betrokkene was werkzaam bij Werkgever op grond van een arbeidsovereenkomst. Verweerder was vanaf 8 juni 2009 door diezelfde Werkgever ingeleend via een uitzendbureau. Het dienstverband van Verweerder bij het uitzendbureau is na het ongeval met terugwerkende kracht beëindigd tot 3 juli 2009.

De zorgverzekeraar van Betrokkene, Anderzorg, heeft de kosten van de medische behandeling van Betrokkene vergoed. In de onderhavige procedure neemt Anderzorg regres op Verweerder. In cassatie was uitsluitend nog de vraag aan de orde of Verweerder voor de toepassing van het subrogatieverbod van art. 7:962 lid 3 BW diende te worden aangemerkt als een persoon die in dienst stond tot dezelfde werkgever als Betrokkene.

Oordeel van het hof

Zowel de rechtbank als het hof oordeelde dat Verweerder moest worden beschouwd als een persoon die in dienst stond tot dezelfde werkgever als Betrokkene. Het hof overwoog daartoe dat de uitleg dat met de woorden ‘in dienst tot dezelfde werkgever’ de formele werkgever werd bedoeld, niet voor de hand lag omdat de achterliggende gedachte van artikel 7:962 lid 3 BW was dat wordt gevreesd dat verhaal door de verzekeraar de arbeidsverhoudingen zou verstoren. Dat risico doet zich volgens het hof ook voor bij ingeleend personeel. Het hof sluit aan bij andere verwante terreinen waarbij de uitleg van de begrippen "in dienst" of "werknemer" ook niet werd beperkt tot formeel werknemerschap.

Oordeel van de Hoge Raad

De Hoge Raad stelt voorop dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 7:962 lid 3 BW moet worden afgeleid dat de wetgever ervoor heeft gekozen een limitatieve opsomming in het artikel op te nemen van duidelijk afgebakende uitzonderings-categorieën boven een meer open geformuleerde maatstaf aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of een concreet geval daaronder valt. Op grond hiervan heeft de wetgever volgens de Hoge Raad juist wel willen aansluiten bij het formele werkgeversbegrip.

Het feit dat de wetgever zich heeft laten leiden door de vrees dat arbeidsverhoudingen verstoord zouden raken, staat daar volgens de Hoge Raad niet aan in de weg nu dit geldt voor werknemers van dezelfde werkgever en een ruime uitleg, waarbij ook minder duurzame arbeidsverhoudingen eronder zouden vallen, niet rechtvaardigt. Daarbij neemt de Hoge Raad aan dat van inlening van personeel juist sprake is indien de werkgever geen duurzame relatie met dat personeel wil aangaan. Het past daarom niet om deze verhouding op één lijn te stellen met werknemers. Van aansluiting bij verwante terreinen is geen sprake omdat die terreinen een andere achtergrond hebben dan artikel 7:962 lid 3 BW.

Ten aanzien van het beëindigde dienstverband verdient het volgens de Hoge Raad nog de opmerking dat de vraag of het subrogatieverbod geldt, moet worden beantwoord naar het tijdstip waarop de schade toebrengende gebeurtenis zich heeft voorgedaan. Het latere ontslag van Verweerder zou de subrogatie dus niet hebben doen ‘herleven’, ook al speelt het argument van verstoring van een duurzame relatie dan geen rol meer.

De Hoge Raad sluit af met de opmerking dat de arbeidsmarkt zich na de totstandkoming van artikel 7:962 lid 3 BW heeft ontwikkeld. Tegenwoordig worden meer werkzaamheden op flexibele basis en in uiteenlopende gedaanten verricht. Indien die ontwikkeling uitbreiding van het subrogatieverbod wenselijk maakt, dan is het aan de wetgever om daarin te voorzien.

Conclusie

Uit dit arrest blijkt dat ingeleend personeel niet valt onder het subrogatieverbod van artikel 7:962 lid 3 BW. De zorgverzekeraar van de werknemer mag dus regres nemen op ander personeel dat door de werkgever van verzekerde is ingeleend.

------------------------------------------------------------

[1] HR 28 november 2014 ECLI:NL:HR:2014:3461.