Home / Publicaties / Omkering van bewijslast bij schuldheling?

Omkering van bewijslast bij schuldheling?

22/06/2010

Toepasselijkheid van art. 6:99 BW heeft tot gevolg dat de bewijslast ten aanzien van het condicio sine qua non verband tussen onrechtmatige daad en schade wordt omgekeerd. Gezien deze vergaande consequenties worden er hoge eisen gesteld aan de stelplicht van de partij die een beroep op dit artikel doet. Deze hoge eisen worden in een arrest van het Hof Arnhem van 13 april 2010 bevestigd.

Artikel 6:99 BW
Artikel 6:99 BW luidt: "Kan de schade een gevolg zijn van twee of meer gebeurtenissen voor elk waarvan een andere persoon aansprakelijk is, en staat vast dat de schade door tenminste één van deze gebeurtenissen is ontstaan, dan rust de verplichting om de schade te vergoeden op ieder van deze personen, tenzij hij bewijst dat deze niet het gevolg is van de gebeurtenis waarvoor hij zelf aansprakelijk is."

Feiten
In januari 2003 is een tractor, eigendom van A., ontvreemd. A. had de tractor bij Provinzial verzekerd tegen diefstal. Provinzial heeft op grond van de verzekering in maart 2003 € 77.847,= aan A. uitgekeerd. Provinzial is krachtens de in haar relatie met A. toepasselijke algemene voorwaarden eigenaar van de tractor geworden. De tractor is op 18 juni 2004 aangetroffen in een boerenschuur, waarin G. goederen opsloeg. De tractor is, na strafrechtelijke inbeslagneming, op 28 juni 2004 aan Provinzial overgedragen. Provinzial heeft de tractor op 23 juli 2004 verkocht voor een bedrag van € 48.963,25. G. is op 24 juni 2004 als verdachte van heling aangehouden en door de politierechter schuldig bevonden aan schuldheling.
Provinzial vordert in eerste instantie veroordeling van G. tot betaling van de waardevermindering van de tractor (het verschil tussen de aan A. uitgekeerde schadevergoeding en de opbrengst van de tractor), de kosten van opsporing, rente, vergoeding van de kosten van een gelegd conservatoir beslag en veroordeling in de proceskosten. De rechtbank heeft geoordeeld dat G. redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de tractor door misdrijf was verkregen. De vorderingen van Provinzial bestaande uit de kosten van opsporing en de overige kosten worden toegewezen; de vordering tot vergoeding van de waardevermindering van de tractor heeft de rechtbank afgewezen.

Hof Arnhem
Provinzial ging in beroep tegen het vonnis van de rechtbank. Volgens Provinzial is waardevermindering van de tractor opgetreden in de periode van 20 januari 2003 (de datum waarop de tractor gestolen is) tot 23 juli 2004 (de datum waarop de tractor door Provinzial is verkocht). Wanneer de tractor door G. is geheeld staat niet vast. Volgens Provinzial rust evenwel de verplichting tot vergoeding van de schade ingevolge artikel 6:99 BW op zowel de dief als de heler, tenzij G. bewijst dat de schade niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor hij zelf aansprakelijk is. Had de rechtbank G. moeten belasten met het bewijs dat de waardevermindering niet aan hem kan worden toegerekend, zoals Provinzial betoogt? Het antwoord van het Hof luidt ontkennend. In de meerderheid van de gevallen zal de eerste schadeveroorzakende gebeurtenis, de diefstal, tenminste een deel van de schade (hier de waardevermindering van de tractor) hebben veroorzaakt doordat redelijkerwijs valt uit te sluiten dat de latere gebeurtenis (de heling) die schade geheel heeft veroorzaakt. Het Hof oordeelt dat uit de stukken niet meer of anders kan worden afgeleid dan dat G. pas kort voor zijn aanhouding op 24 juni 2004 bij de gestolen tractor betrokken is geraakt. Provinzial heeft in het midden gelaten wanneer de heling is gepleegd. Zij heeft enkel als mogelijkheid geopperd dat G. de tractor al kort na de diefstal onder zich heeft gekregen maar het staat dus niet vast dat de waardevermindering van de tractor over de gehele periode van 20 januari 2003 tot 28 juni 2004 is veroorzaakt door tenminste één van de beide misdrijven, de diefstal of de heling.
Vanwege de hoge eisen die aan de stelplicht worden gesteld om de toepasselijkheid van artikel 6:99 BW te rechtvaardigen, oordeelt het Hof dat artikel 6:99 BW geen toepassing kan vinden.

Conclusie
Artikel 6:99 BW is geschreven met het oog op de klassieke geval van de twee schutters, waarbij onduidelijk is wie van beide het dodelijke schot loste. Dit artikel brengt niet mee dat vereist zou zijn dat de gebeurtenissen min of meer gelijktijdig hebben plaatsgevonden. Nodig, maar ook voldoende is dat sprake is van twee of meer gebeurtenissen en dat de schade door tenminste één daarvan is veroorzaakt. Uiteraard moet wel aan de overige vereisten voor aansprakelijkheid zijn voldaan. Het artikel is niet geschreven voor gevallen waarin de verschillende gebeurtenissen de gehele schade slechts tezamen hebben kunnen veroorzaken en iedere afzonderlijke gebeurtenis op zichzelf geen schade of slechts een deel daarvan tot gevolg heeft kunnen hebben. In dit geval kon de schade niet zonder de diefstal door de heler zijn veroorzaakt en staat niet vast welk deel van de schade nu door de heler is veroorzaakt. Artikel 6:99 BW mist daardoor toepassing.