Contactpersonen
Het nieuwe jaar brengt traditioneel allerlei fiscale veranderingen met zich mee. 2024 zal geen uitzondering zijn, met intense wetgevende activiteit aan het einde van 2023, gekenmerkt door verschillende wetsvoorstellen (naast de traditionele programmawet).
Hier volgt een overzicht van de belangrijkste maatregelen - veel en gevarieerd - die voor het nieuwe jaar in het verschiet liggen.
1. Maatregelen m.b.t. bedrijven
Landen met aanzienlijk gunstigere belastingstelsels: antimisbruikbepalingen aanpassen
Momenteel bepaalt de belastingwetgeving dat bepaalde bedragen (bv. interesten of royalty’s) betaald door een Belgische vennootschap aan een niet-ingezeten belastingplichtige die een aanzienlijk gunstiger belastingregime geniet voor deze inkomsten, niet aftrekbaar zijn tenzij ze betrekking hebben op " werkelijke en oprechte verrichtingen en mits zij de normale grenzen niet overschrijden ".
Evenzo bepaalt een andere bepaling in wezen dat de overdracht of inbreng van bepaalde activa (effecten, geldsommen, intellectuele rechten, enz.) aan een niet-ingezeten belastingplichtige die een aanzienlijk gunstigere belastingregime geniet voor de inkomsten uit deze activa, een fiscaal misbruik vormt en niet kan worden ingeroepen tegen de Belgische belastingadministratie. De Belgische belastingplichtige kan echter het tegendeel bewijzen door, kort samengevat, aan te tonen dat de transactie beantwoordt aan legitieme financiële of economische behoeften, of dat de werkelijk ontvangen vergoeding in België belastbaar was.
De hervorming wijzigt deze twee bepalingen. Ze zullen enkel van toepassing zijn als de Belgische belastingplichtige en de buitenlandse belastingplichtige in kwestie rechtstreeks of onrechtstreeks van elkaar afhankelijk zijn. Dit laatste begrip is zeer ruim, aangezien het economische, bestuurlijke of structurele criteria omvat.
De toevoeging van deze voorwaarde van onderlinge afhankelijkheid moet het mogelijk maken het toepassingsgebied van deze bepalingen te beperken en de voorspelbaarheid ervan te verbeteren.
Het bewijs van het tegendeel is ook gewijzigd. Voortaan heeft de Belgische belastingplichtige twee mogelijkheden om de toepassing van deze bepalingen te vermijden, door te bewijzen :
- Ofwel is de buitenlandse belastingplichtige onderworpen aan een effectieve inkomstenbelasting die minstens gelijk is aan de helft van de belasting die verschuldigd zou zijn als hij in België gevestigd zou zijn;
- Ofwel de betaling of transactie maakt deel uit van een echte transactie in de zin dat deze is uitgevoerd om geldige commerciële redenen die de economische realiteit weerspiegelen.
Deze maatregelen zijn van toepassing vanaf 1januari 2024.
Controlled foreign company ("CFC")
Het regime van de Controlled Foreign Company (CFC) werd omgezet in Belgisch recht als onderdeel van de implementatie van de Anti-Tax Avoidance Directive (ATAD). Op basis van deze regels moeten bepaalde niet-uitgekeerde inkomsten van een gecontroleerde buitenlandse vennootschap in België belast worden in de handen van de belastingsplichtige die de controle uitoefent.
De richtlijn maakte omzetting in nationaal recht mogelijk volgens twee verschillende modellen : A of B.
- Volgens het eerste model (A) zijn bepaalde welomschreven passieve inkomsten (dividenden enz.) van de CFC belastbaar in de handen van het bedrijf dat er zeggenschap over heeft, tenzij (onder andere) de CFC beschikt overvoldoende economische substantie heeft.
- Volgens het tweede model (B) is het inkomen van de CFC alleen belastbaar op het niveau van de vennootschap die er zeggenschap over heeft alleen als dit inkomen is omgeleid van de ingezeten vennootschap naar de CFC onder constructies die kunstmatig worden beschouwd.
Het is dit tweede model die door België is gekozen. Het werd echter ondoeltreffend geacht omdat het overlapte met bestaande regels in België. Het wetsvoorstel voorziet daarom in een wijziging van het model A. Dit betekent dat de toepassing van het regime dat belastingheffing van CFC-inkomsten toestaat door de Belgische entiteit die er zeggenschap over heeft, niet langer afhankelijk zal zijn van de aanwezigheid van "kunstmatige constructies". De huidige bepalingen zijn dus volledig herzien.
De belastingplichtige heeft nog steeds de mogelijkheid om te bewijzen dat het inkomen afkomstig is van een CFC die een " wezenlijke economische activiteit" uitoefent (uitsluitingsregel).
De nieuwe regeling voorziet in regels om te voorkomen dat winsten die in de Belgische vennootschap al belast zijn als niet-uitgekeerde "CFC-winsten", dubbel worden belast wanneer ze worden uitgekeerd als dividenden of wanneer de CFC-aandelen worden vervreemd :
- De specifieke aftrek voor "Definitief Belaste Inkomsten " ("DBI") wordt gehandhaafd.
- De hervorming voegt er echter aan toe dat ze niet van toepassing is in het geval van een wijziging van de controle over de belastingplichtige die niet beantwoordt aan legitieme financiële of economische behoeften. Het ontwerp bepaalt ook dat elke belasting die door de CFC wordt afgetrokken, voortaan onder bepaalde voorwaarden kan worden verrekend met de Belgische belasting.
De CFC-aangifteplicht wordt versterkt, zelfs als er geen CFC-inkomen belastbaar zijn in België.
Deze maatregelen gaan in vanaf het aanslagjaar 2024.
Beperking van bepaalde aftrekposten: terugkeer van het 70%-tarief
Sinds 1 januari 2018 zijn bepaalde fiscaal overdraagbare aftrekposten voor bedrijven met een belastinggrondslag van meer dan 1 miljoen euro beperkt. Het gaat hierbij voornamelijk om de aftrek voor voorwaartse verliescompensatie, voorwaarts gecompenseerde innovatie of voorwaarts gecompenseerde OTO (het zogenaamde "korf" regime).
Er is geen aftreklimiet onder de regeling tot €1 miljoen. Boven dit bedrag waren de bovenvermelde uitgaven slechts aftrekbaar tegen een tarief van 70%. Vanaf 1 januari 2023 werd dit tarief verlaagd tot 40% als onderdeel van de begrotingsmaatregelen in afwachting van de implementatie in België van de “Pillar Two” van het “BEPS”-project (“Base erosion and profit shifting”), dat kort gezegd tot doel heeft regels op te stellen die een minimale belasting van de winsten van multinationale ondernemingen garanderen.
Met het oog op de omzetting van de 'tweede pijler' eerder dit jaar (die voorziet in een effectief belastingtarief van 15% voor multinationals en grote binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van meer dan €750 miljoen), zal de belastingaftrek op inkomsten van meer dan €1 miljoen verder worden beperkt tot 70% vanaf 1 januari 2024 (vergeleken met 40% voorheen).
Verhoging van de belasting op kredietinstellingen
De belasting op kredietinstellingen (bv. banken) bedraagt momenteel 0,13231% op het gemiddelde bedrag van hun schulden aan klanten.
De wetgever voorziet nu in een geleidelijke verhoging, in die zin dat het tarief zal worden verhoogd tot 0,17581%, alleen voor het deel van de belastbare grondslag boven 50 miljard euro. Er zullen boetes worden opgelegd als de belasting wordt doorberekend aan klanten.
Deze maatregelen gaan in vanaf het aanslagjaar 2024.
Aftrek van jaarlijkse belastingen voor kredietinstellingen, collectieve beleggingsinstellingen en de verzekeringsondernemingen
De programmawet van 26 december 2022 voerde een gedeeltelijke beperking in op de aftrekbaarheid van jaarlijkse belastingen voor kredietinstellingen, instellingen voor collectieve belegging en verzekeringsmaatschappijen. Vanaf 1 januari 2023 zal slechts 20% van deze belastingen aftrekbaar zijn voor de entiteiten die ze betalen.
De wetgever voert nu een totale afwezigheid van aftrekbaarheid in vanaf 1 januari 2024.
2. Diverse maatregelen (natuurlijke personen en rechtspersonen)
Belangrijke aanscherping van de belasting op de Kaaimantaks
Het wetsontwerp wil de Belgische transparantietaks, beter bekend als de "Kaaimantaks", versterken.
De Kaaimantaks of transparantietaks is van kracht sinds 2015 en heeft als doel de inkomsten die worden geïnd door een "juridische constructie" (bv. een trust, bepaalde vennootschappen met lage belastingtarieven, enz.) te belasten op het niveau van de oprichters of begunstigden die Belgische fiscale inwoners zijn (natuurlijke personen en bepaalde rechtspersonen), alsof ze de inkomsten rechtstreeks hadden geïnd.
Naast deze transparante belasting van de door de juridische constructie geïnde inkomsten, wordt elke uitkering aan de oprichter in principe belast als een dividend tegen een tarief van 30%, tenzij de uitkering betrekking heeft op (i) ingebracht kapitaal of (ii) inkomsten "belast in België" op het niveau van de oprichter.
De aangekondigde hervorming richt zich in essentie op de volgende aspecten:
- Instellingen voor collectieve beleggingsinstellingen ("CBI's"): opdat een CBI niet zou kwalificeren als een juridische constructie voor de toepassing van de Kaaimantaks, is het nu noodzakelijk dat ze in handen is van minstens 50% personen die "niet-verbonden" zijn met elkaar.
- Er wordt een specifieke "exit tax" ingevoerd, in het bijzonder wanneer het fiscaal woonplaats van de oprichter van de juridische constructie verplaatst wordt naar buiten België.
- Inkomsten die zijn vrijgesteld onder het doorkijksysteem (bijv. vermogenswinst op aandelen) worden belast bij uitkering (30%). De afwezigheid van belasting bij uitkering zal beperkt zijn tot inkomsten die daadwerkelijk belast zijn op een transparent basis.
- Het begrip "oprichter" wordt uitgebreid tot personen die indirect rechten hebben in juridische constructies, via intermediaire constructies die geen juridische constructies zijn (bv. een BV).
De hervorming zou van toepassing zijn op inkomsten die worden geïnd door juridische constructies en uitkeringen die worden gedaan na 1 januari 2024.
Zie voor meer informatie onze vorige nieuwsbrief, die specifiek aan dit onderwerp was gewijd.
Erfpacht- en opstalrechten: aanzienlijke verhoging van de registratierechten
Met ingang van 1 januari 2024 wordt het tarief van het registratierecht voor overeenkomsten voor de vestiging of overdracht van een recht van erfpacht of opstal verhoogd van 2% naar 5%.
Deze verhoging is van toepassing op akten die op of na deze datum zijn ondertekend, tenzij ze werden voorafgegaan door een eerdere onderhandse akte.
BTW-tarieven op de afbraak en heropbouw van gebouwen
Er zijn momenteel twee parallelle regimes voor het verlaagde tarief van 6% (in plaats van 21%) voor de afbraak en heropbouw van onroerend goederen:
- De eerste, permanente regeling biedt 6% btw alleen in 32 vermelde "stadsgebieden".
- Het tweede, tijdelijk tussen 1 januari 2021 en 31 december 2023, past dit verlaagde tarief toe in heel België (met bepaalde uitzonderingen), mits bepaalde specifieke, strengere voorwaarden worden nageleefd.
De programmawet vervangt deze regimes door één uniek regime. Kortom, het handhaaft het 6%-tarief in het hele land, maar de voorwaarden worden gewijzigd en aangescherpt. In essentie zal het 6%-tarief in heel België van toepassing zijn in geval van :
- (1) de sloop van een gebouw en de gezamenlijke heropbouw van een woongebouw dat bestemd is voor de huisvesting van de cliënt-fysieke persoon en dat zich op hetzelfde kadastrale perceel bevindt als dit gebouw. Rechtspersonen (bv. projectontwikkelaars) zijn uitgesloten van deze regeling, wat de belangrijkste verandering is ten opzichte van de bestaande regeling. Andere voorwaarden zijn dat de oppervlakte van het gebouw niet groter mag zijn dan 200 m2 en dat gedurende vijf jaar aan de voorwaarden moet worden voldaan.
- (2) de sloop van een gebouw en de gezamenlijke heropbouw van een residentieel gebouw dat bestemd is voor verhuur op lange termijn in het kader van sociaal beleid, voor een periode van minstens 15 jaar, en gelegen is op hetzelfde kadastrale perceel als dat gebouw.
Private stichtingen en (I)VZW - taks tot vergoeding van de successierechten
Privéstichtingen, VZW's en IVZW's (internationale vereniging zonder winstoogmerk) die in België gevestigd zijn, zijn onderworpen aan een belasting van 0,17% op hun totale vermogen (jaarlijkse taks tot vergoeding van de successierechten). Deze belasting is momenteel enkel van toepassing op vermogens boven €25.000. Er bestaan enkele vrijstellingen, bijvoorbeeld voor bepaalde pensioenfondsen.
Het wetsvoorstel van 19 oktober 2023 voert een progressief tarief in:
- Minder dan € 50.000: geen belasting.
- Van € 50.000 tot € 250.000: het tarief wordt verlaagd tot 0,15%.
- Van €250.000 tot €500.000: 0,30%.
- Meer dan €500.000: 0,45%.
Als gevolg van de hervorming zullen (I)VZW’s en private stichtingen met (zeer) kleine activa dus profiteren, terwijl degenen met (zeer) grote activa zwaar getroffen zullen worden. De hervorming heeft ook tot doel de vrijstellingen uit te breiden (met name tot organisaties in de gezondheidszorg en medische huizen).
Deze hervorming zal van toepassing zijn vanaf 1 januari 2024.