Belastinghervorming van Arizonaregering: een nieuw lek met enkele verrassingen
Contactpersonen
Men zal zich herinneren dat het coalitieakkoord, het zogenaamde "Arizona-akkoord", dat heeft geleid tot de vorming van de nieuwe regering, een uitgebreid fiscaal hoofdstuk bevatte, onder mee over de invoering van de belasting op meerwaarden op financiële activa.
Het is al uitgebreid besproken, becommentarieerd en gedetailleerd zodat we dachten dat we de grote lijnen kenden. Een eerste ontwerp van de tekst werd echter op grote schaal verspreid, aanvankelijk op sociale media (ongetwijfeld als gevolg van de tijdgeest...), voordat het door de pers werd opgepikt.
Het moet gezegd worden dat het gelekte ontwerp gepaard gaat met verrassingen.
Hieronder volgen enkele commentaren over de meest in het oog springende aspecten, die we als volgt behandelen:
- Belasting op meerwaarden op financiële activa
- Exitheffing
- Begeleidende maatregelen
- Enkele bedenkingen
Samenvatting
De tekst voorziet in de belasting van meerwaarden op financiële activa gerealiseerd door natuurlijke personen en vzw's/stichtingen, inclusief verzekeringscontracten (tak 21, 23 en 26) wanneer deze niet worden belast als roerende- of beroepsinkomsten.
Het toepasselijke tarief is in principe 10%, met een vrijstelling voor de eerste 10.000 EUR en een vrijstelling voor ononderbroken bezit van 10 jaar.
Er zijn regels inzake vrijstelling en verlaagde tarieven voorzien in geval van deelnemingen van aanmerkelijk belang (> 20%). Daarentegen is een tarief van 33% voorzien voor zogenaamde "interne meerwaarden"/intra-familiale leveraged buyouts (LBO).
Behoudens uitzonderingen, komt de berekening van de belastbare basis overeen met het verschil tussen de ontvangen prijs en de aanschafwaarde, in principe vastgesteld op 31 december 2025 om historische meerwaarden vrij te stellen. Verliezen (minderwaarden) kunnen niet in de tijd worden overgedragen.
De belasting zou rechtstreeks door de Belgische financiële tussenpersonen moeten worden ingehouden in de vorm van roerende voorheffing voor niet-aanmerkelijke deelnemingen (en via de belastingaangifte in andere gevallen).
Verrassingen: een exitheffing wordt ingevoerd en is gericht op de overbrenging van de woonplaats naar het buitenland en schenkingen aan een niet-inwoner.
Deze hervorming gaat gepaard met begeleidende maatregelen. De zogenaamde "Reynderstaks" of "19bis-taks" wordt afgeschaft, zonder overgangsmaatregelen. De belasting op verzekeringspremies, die vandaag 2% bedraagt, wordt verlaagd naar 0,7%.
Dit artikel behandelt deze ontwerptekst in meer detail en geeft enkele eerste bedenkingen. |
1. Belasting van meerwaarden op financiële activa
1.1. Context
In de personenbelasting worden meerwaarden op aandelen belast, hetzij als beroepsinkomsten (progressieve tarieven en sociale bijdragen), hetzij als diverse inkomsten wanneer deze inkomsten speculatief of abnormaal zijn (belast met 33%). Buiten deze gevallen worden deze meerwaarden niet belast wanneer ze voortvloeien uit het normale beheer van privévermogen.
Het hervormingsvoorstel, waarvan de inwerkingtreding is voorzien op 1 januari 2026, voorziet dat de meerwaarden op "financiële activa" gerealiseerd in het kader van het normale beheer van privévermogen worden belast, hetgeen een breuk inhoudt met het fiscale systeem dat van toepassing is sinds de wet van 20 november 1962.
1.2. Geviseerde personen
De beoogde belasting betreft de personenbelasting en de rechtspersonenbelasting (VZW's / Stichtingen).
1.3. Geviseerde "financiële activa"
De voorgestelde belasting is gericht op "financiële activa", een begrip dat ruim wordt ingevuld en onder andere volgende activa bevat: financiële instrumenten, cryptoactiva, deviezen (waaronder beleggingsgoud).
Worden ook als financiële activa beschouwd; spaarverzekeringscontracten (takken 21 en 26), en beleggingsverzekeringen (tak 23) op voorwaarde dat ze niet belastbaar zijn als inkomsten uit roerende goederen op het moment van afkoop - evenals gelijkaardige buitenlandse verzekeringspolissen.
Pensioenfondsen, pensioenspaarplannen en groepsverzekeringen vallen niet onder dit begrip.
1.4. Geviseerde verrichtingen
Het ontwerp viseert de "overdracht onder bezwarende titel" van financiële activa.
Voor de geviseerde verzekeringscontracten worden de liquidatie bij leven van kapitaal en afkoopwaarden die verband houden met levensverzekeringscontracten en kapitalisatieoperaties gelijkgesteld met een overdracht onder bezwarende titel. De uitkering aan de begunstigden in geval van overlijden of bij verandering van beleggingsfondsen in verzekeringen leidt niet tot belasting van eventuele meerwaarden.
1.5. Tarieven
Principe
Behoudens uitzondering(en) zal het tarief 10% zijn, met een vrijstelling voor de eerste 10.000 EUR.
| Meerwaarde (Indexatie – aj. 2027) | Tarieven |
| < 10,000 EUR | Vrijstelling |
| > 10,000.01 EUR | 10% |
Financiële activa die 10 jaar ononderbroken worden aangehouden, genieten een vrijstelling.
Eerste uitzondering - deelnemingen van aanmerkelijk belang
De tarieven voor deelnemingen van aanmerkelijk belang zijn van toepassing op de overdracht onder bezwarende titel van aandelen en winstbewijzen in geval van een aanmerkelijk belang indien de overdrager, op enig moment in de laatste tien jaar voorafgaand aan de overdracht, alleen of samen met zijn/haar echtgeno(o)t(e) (en hun familieleden tot in de vierde graad) ten minste 20 % van de aandelen of winstbewijzen in bezit had.
| Meerwaarde (Indexatie – aj. 2027) | Tarieven |
| < 1,000,000 EUR | Vrijstelling |
| 1,000,000.01 – 2,500,000 EUR | 1.25% |
| 2,500,000.01 – 5,000,000 EUR | 2.25% |
| 5,000,000.01 – 10,000,000 EUR | 5% |
| > 10,000,000.01 EUR | 10% |
Tweede uitzondering – interne meerwaarden
De tekst voorziet in een specifiek tarief voor interne meerwaarden/intra-familiale leveraged buyout bij meerderheidsbelangen.
Zo is een tarief van 33% van toepassing op de overdracht onder bezwarende titel van aandelen en winstbewijzen aan een koper waarop de verkoper direct of indirect controle uitoefent, alleen of samen met zijn/haar echtgeno(o)t(e) (en hun families tot en met de tweede graad).
Deze maatregel bevestigt – en verstrengt zelfs – de positie van de Dienst Voorafgaande Beslissingen (DVB) die de niet-belasting van bepaalde gerealiseerde meerwaarden accepteert wanneer de verkoop van effecten plaatsvindt in het kader van een intergenerationele overdracht.
| Rulingpraktijk DVB | Hervorming | |
| Verkoop aan een eigen holding (« verkoop aan zichzelf ») | 33% | 33% |
| Verkoop aan een holding die gedeeltelijk eigendom is van de verkoper maar geen controlerend belang heeft (geleidelijke overdracht) | 0% | 33% |
| Verkoop aan een holding die uitsluitend in handen is van derden, inclusief verwanten | 0% | 10% (of regels voor deelnemingen van aanmerkelijk belang) |
1.6. Berekening van de belastbare basis
Berekening van de meerwaarde
De meerwaarde komt in principe overeen met het positieve verschil tussen de prijs die is ontvangen voor de verkochte financiële activa en de aanschaffingswaarde van deze activa. Als uitzondering wordt de meerwaarde bij levensverzekeringscontracten bepaald door het positieve verschil tussen het positieve verschil van de kapitalen of de afkoopwaarde en het totaal van de betaalde premies.
De aanschaffingswaarde wordt vastgesteld op 31 december 2025. De tekst stelt vervolgens dat "indien de aanschaffingswaarde hoger is dan de waarde op 31 december 2025, de aanschaffingswaarde wordt weerhouden voor zover deze wordt bewezen door de belastingplichtige" (dit principe geldt ook voor beursgenoteerde financiële activa). Het doel is om zogenaamde historische meerwaarden vrij te stellen.
Om de aanschaffingswaarde van financiële activa op 31 december 2025 te bepalen afhankelijk van het geval de volgende waarderingsmethodes toegepast:
- Niet-beursgenoteerde financiële activa (de belastingplichtige heeft een zeer groot aantal keuzes wat betreft de waarderingsmethode): eigen vermogen verhoogd met een bedrag gelijk aan 4 keer EBITDA of vaststelling van de waarde in een rapport opgesteld door een bedrijfsrevisor of gecertificeerd accountant uiterlijk op 31 december 2026. Er bestaan ook alternatieve methoden door te verwijzen naar een waarde die wordt gebruikt op het moment van bepaalde overdrachten, oprichtingen of kapitaalverhogingen in 2025 of in een bepaald contract of contractueel aanbod van verkoopoptie met betrekking tot deze financiële activa (met ingang van 1 januari 2026).
- Beursgenoteerde financiële activa: De aanschaffingswaarde komt overeen met de laatste slotkoers van het jaar 2025.
- Aandelenopties en aandelen ontvangen met prijsreductie: de aanschaffingswaarde van het aandeel (verbonden aan de optie) wordt bepaald aan de hand van de waarde op het moment dat de optie wordt uitgeoefend en de aanschaffingswaarde van de optie komt overeen met de marktwaarde op het moment dat de optie kan worden uitgeoefend. De aanschaffingswaarde van aandelen ontvangen met prijsreductie komt overeen met de waarde van het aandeel of met aandelen gelijkgestelde instrument op het moment van verwerving.
De andere methoden voor het bepalen van de aanschaffingswaarde kunnen als volgt worden samengevat:
- Uitsluitend "Belgische" meerwaarden: de aanschaffingswaarde wordt vastgesteld op de eerste dag van onderwerping aan de personenbelasting voor nieuwe inwoners. In geval van verwerving van een financieel actief "anders dan onder bezwarende titel" van een belastingplichtige niet-inwoner, wordt de aanschafwaarde vastgesteld op de dag van verwerving van het actief.
- Methode van het gewogen gemiddelde: in geval van bezit van meerdere financiële activa van dezelfde aard.
- Tijdelijke vrijstelling in geval van meerwaarden op aandelen of rechten van deelneming van een beleggingsvennootschap: in geval van nieuwe aandelen of winstbewijzen ontvangen in ruil (inkoop eigen aandelen, fusie, splitsing).
- Inbrengverrichtingen: alle meerwaarden die worden gerealiseerd bij inbrengverrichtingen zijn vrijgesteld (ongeacht of aan de voorwaarden van de Fusierichtlijn is voldaan of niet). Zoals reeds van toepassing is, wordt bij de inbreng een belaste kapitaalreserve gevormd op het niveau van de holdingmaatschappij en is bij een latere dividenduitkering een roerende voorheffing van 30% verschuldigd.
Tot slot komt de "ontvangen prijs" overeen met de ontvangen tegenprestatie, in welke vorm dan ook. Bij wijze van uitzondering, voor schenkingen aan een niet-inwoner en overdrachten van een woning naar het buitenland, komt de ontvangen prijs overeen met de waarde van het financieel actief op het moment van de schenking of overdracht.
Beperkte inachtname van minderwaarden
De bij verkoop gerealiseerde minderwaarden zijn aftrekbaar van de in dezelfde belastingperiode gerealiseerde meerwaarden, zonder overdracht naar de in de volgende jaren gerealiseerde meerwaarden.
1.7. Wijzen van inning:
De belasting zou rechtstreeks door de Belgische financiële tussenpersonen moeten worden ingehouden in de vorm van een roerende voorheffing voor deelnemingen van niet-aanmerkelijk belang (en via de belastingaangifte in de andere gevallen).
2. Exitheffing
2.1. Context
In 2024 heeft België een exitheffing ingevoerd op "juridische constructies", met name in geval van emigratie van de oprichter.
De exitheffing bestaat uit een "fictieve uitkering" van "niet-uitgekeerde winsten" die aan 30% worden belast. Deze belasting is alleen van toepassing op "juridische constructies", met name laag belaste buitenlandse vennootschapsstructuren (1% of 15%, naargelang ze al dan niet in de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd).
België overweegt momenteel een heffing bij uitgang op alle meerwaarden op financiële activa, met inbegrip van die op aandelen van vennootschappen die onderworpen zijn aan een gewone belastingregeling.
2.2. Principe
Het belastingvoorstel voorziet in een exitheffing in twee situaties: bij overbrenging van de woonplaats (of de zetel van fortuin) naar het buitenland en bij "elke overdracht aan een belastingplichtige niet-inwoner", waaronder naar alle waarschijnlijkheid ook schenkingen vallen
Bij het overbrengen van de woonplaats of van financiële activa binnen de Europese Economische Ruimte is een spreiding van de belasting over vijf jaar mogelijk.
3. Begeleidende maatregelen
3.1. Opheffing van de belasting op het deel van de rente op de verkoop van aandelen in bepaalde instellingen voor collectieve belegging (de zogenaamde "Reynderstaks"- of "19bis taks")
Naar aanleiding van een Europese richtlijn inzake belastingheffing op spaargelden had België een belasting ingevoerd op rente die is opgenomen in de meerwaarde bij de verkoop van aandelen in beleggingsfondsen die voor meer dan 10 % uit vorderingen bestaan.
Om een reeds complexe materie niet nog ingewikkelder te maken, werd afgezien van de heffing van 30 % op een beperkte basis (alleen de rente) en werd gekozen voor een belasting op een bredere basis (de meerwaarde), die voorlopig echter beperkt blijft tot 10 %.
De nieuwe belasting voorziet in een vrijstelling van zogenaamde historische meerwaarden door, behoudens uitzondering(en), de aankoopwaarde vast te stellen op 31 december 2025. In dit kader voorziet de tekst geen overgangsmaatregelen om het renteaandeel te belasten dat gegenereerd is vóór de toepassing van de nieuwe belasting.
3.2. Verlaging van de belasting op verzekeringspremies
Zoals eerder vermeld, vallen levensverzekeringscontracten onder de nieuwe belasting op meerwaarden. In ruil daarvoor wordt de belasting op de premies van deze verzekeringen, die momenteel 2 % bedraagt, verlaagd tot 0,7 %.
4. Enkele bedenkingen
Deze nieuwe maatregelen roepen veel vragen en overwegingen op.
Hoe moet deze nieuwe belasting worden afgestemd op de zogenaamde "Kaaimantaks" of transparantietaks?
Moet bij de overbrenging van de woonplaats van een oprichter en enige aandeelhouder die een natuurlijke persoon is van een laag belastbare vennootschap die als "juridische constructie" wordt aangemerkt, zowel de Kaaimantaks (30%) als de belasting op meerwaarden (10%) worden betaald? De tekst sluit dit niet uit.
Is dit belastingvoorstel in overeenstemming met de internationale verplichtingen van België?
In zijn verdragen ter voorkoming van dubbele belastingheffing kent België de bevoegdheid tot belastingheffing op meerwaarden in het algemeen toe aan de staat die als de staat van woonplaats wordt beschouwd op het moment dat de meerwaarde daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Het belastingvoorstel is niet in overeenstemming met de internationale verplichtingen van België.
België werd al veroordeeld voor een soortgelijke bepaling die een fictieve betaling of toekenning van pensioenen instelde op de dag vóór de verhuizing naar het buitenland wanneer deze pensioenen werden betaald of toegekend aan de bedrijfsleider na zijn verhuizing. België heeft hierbij de internationale verdragen die het heeft ondertekend niet te goeder trouw geïnterpreteerd. Deze bepaling is niet langer van toepassing in de Europese Economische Ruimte, noch wanneer een verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing kan worden ingeroepen.
Nog verrassender is dat het wetsontwerp tot doel heeft artikel 90,9° WIB/92 te wijzigen door de belasting op meerwaarden op aandelen in te voeren, met name wanneer een ingezetene een schenking (gelijkgesteld met een overdracht onder bezwarende titel...) doet aan een niet-ingezetene, terwijl een schenking aan een ingezetene niet wordt belast. Dit artikel 90,9° (voorheen 67,8° en 67ter WIB/64) heeft vele versies gekend. Een daarvan voorzag in een belasting op bepaalde meerwaarden op belangrijke deelnemingen, maar alleen als de koper een buitenlandse vennootschap was, en niet als het een Belgische vennootschap was.. Destijds had het Hof van Justitie van de Europese Unie België veroordeeld wegens schending van het Europees recht.
Is het verschil in behandeling tussen een louter Belgische schenking en een schenking aan een niet-inwoner logisch?
Bij de overbrenging van de woonplaats naar het buitenland of bij een schenking aan een belastingplichtige niet-inwoner wordt een exitheffing geheven. Bij de latere verkoop van de financiële activa is het echter niet zeker dat er uiteindelijk een meerwaarde zal worden gerealiseerd en bovendien zijn er geen bepalingen die het mogelijk maken om de teruggave van de belasting te vragen.
Binnenlandse situaties worden dus belast op basis van een werkelijke belastbare basis, terwijl situaties waarbij een niet-inwoner betrokken is, leiden tot een belasting op basis van een fictieve belastbare basis, wat vragen oproept over gelijke behandeling en evenredigheid.
Omvat de tekst (duidelijk) alle situaties?
Er blijven enkele onduidelijkheden bestaan.Hieronder behandelen we enkele voorbeelden.
- In geval van een schenking door een niet-inwoner (ten gunste van een inwoner) is de aanschaffingswaarde die van de dag van de schenking. In geval van een schenking tussen twee inwoners en een vervolgens door de begunstigde verrichte verkoop, bepaalt de tekst echter niet expliciet welke aanschaffingswaarde moet worden gehanteerd... ook al begrijpen wij dat het gaat om de waarde voor de oorspronkelijke schenker.
Laten we in dit voorbeeld aannemen dat een niet-inwoner en een inwoner op 31 december 2025 elk tegen betaling een aandeel van dezelfde vennootschap hebben verworven voor 10 EUR. De waarde van het aandeel stijgt tot 100 EUR op 30 juni 2026.
De inwoner en de niet-inwoner schenken elk hun aandeel op 30 juni 2026 aan een Belgische inwoner.
De aankoopwaarde van het aandeel dat oorspronkelijk in het bezit was van de inwoner-schenker bedraagt 10 EUR, terwijl de aankoopwaarde van het aandeel dat oorspronkelijk in het bezit was van de niet-inwoner-schenker 100 EUR bedraagt.
Op 30 september 2026 verkoopt de Belgische begunstigde vervolgens deze twee aandelen voor 90 EUR. Hij realiseert een belastbare meerwaarde op één van de aandelen (80 EUR) en een verlies op het andere (- 10 EUR).
- Ook de kwestie van schenkingen (of erfenissen) met last wordt niet behandeld: wat is de waarde van de financiële activa wanneer een dergelijke schenking met last is gedaan?
- In geval van een louter Belgische nalatenschap gaat de tekst evenmin in op de kwesties van erfopvolging en de berekening van de belastbare basis voor de erfgenaam die de geërfde financiële activa zou verkopen. In geval van een erfenis met erfgenamen niet-inwoners bepaalt de tekst niet expliciet of het begrip "elke overdracht aan een belastingplichtige niet-inwoner", die aanleiding geeft tot de exitheffing, ook betrekking heeft op overdracht door overlijden. Wij begrijpen echter dat een erfenis in principe geen overdracht is (in tegenstelling tot een schenking).
- De vraag of bepaalde bijkomende kosten van transacties al dan niet in aanmerking worden genomen, wordt niet behandeld (noch in het geval van de uitstapbelasting, noch in de andere gevallen waarop het belastingvoorstel betrekking heeft).
- Er is geen specifieke bepaling voorzien voor de splitsing van eigendom. Wat gebeurt er bijvoorbeeld in geval van schenking met splitsing van eigendom, met name wanneer de schenker zich een vruchtgebruik voorbehoudt waardoor hij kan genieten van eventuele meerwaarden (art. 3.148 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, dat in bepaalde gevallen een functioneel beschikkingsrecht ten gunste van de vruchtgebruiker toestaat; voorheen "quasi-vruchtgebruik")?
Of deze lek nu georganiseerd is of niet, het zal gevolgen hebben, ook voor bepaalde belastingbetalers. Het onthult elementen over de bedoelingen van de daders, die benadrukken hoe belangrijk het is om vandaag al te anticiperen op de toekomstige gevolgen.