PSD2: verscherping van de vereisten ter bescherming van geldmiddelen
Contactpersoon
Vanaf 31 december 2022 zullen betalingsinstellingen en instellingen voor elektronisch geld aan strengere voorwaarden moeten voldoen krachtens een circulaire van de Nationale Bank van België (“NBB”). In deze circulaire heeft de NBB de vereisten gespecificeerd die van toepassing zijn op de bescherming van de geldmiddelen in het kader van de uitvoering van betalingstransacties alsook in geval van het ruilen van geldmiddelen voor elektronisch geld.
De circulaire is van toepassing op betalingsinstellingen en instellingen voor elektronisch geld naar Belgisch recht (samen de “Instellingen”).
Krachtens PSD2 moeten Instellingen beschermingsmaatregelen nemen om de geldmiddelen die zij in het kader van hun activiteiten ontvangen, te beschermen.
De NBB stelt de volgende maatregelen ter bescherming van de geldmiddelen vast: (i) deponering op een afzonderlijke gezamenlijke of geïndividualiseerde cliëntenrekening; (ii) belegging in veilige, liquide activa met een lage risicograad; en (iii) dekking door een verzekering, garantie of waarborg.
Met betrekking tot de deponering op een afzonderlijke gezamenlijke of geïndividualiseerde cliëntenrekening heeft de NBB gepreciseerd dat dit impliceert: (i) de uitdrukkelijke schriftelijke bevestiging van de kredietinstelling waarbij deze rekening is geopend, dat deze rekening een cliëntenrekening is in de zin van de Belgische wet tot omzetting van PSD2; (ii) de afgifte, ten minste om de drie jaar, door de kredietinstelling waarbij deze rekening is geopend, van een attest waarin het IBAN-nummer van de cliëntenrekening en het op deze rekening aangehouden bedrag worden vermeld, en (iii) de toezending door de Instelling, in het kader van haar periodieke rapporteringsverplichtingen, aan de NBB van de twee bovengenoemde documenten. Bovendien vindt de NBB het een “best practice” om haar de contactgegevens te bezorgen van de dossierbeheerder van de kredietinstelling of het bijkantoor waar de cliëntenrekening werd geopend.
Met betrekking tot beleggingen in “veilige” en “liquide” activa met een “lage risicograad”, verduidelijkt de NBB de terminologie. Zij is van mening dat:
- een “lage risicograad” vereist dat de verschillende risico's die inherent zijn aan de activa beperkt zijn. In geval van beleggingen in financiële instrumenten houdt dit in dat: (i) de emittent van de genoemde financiële instrumenten kredietwaardig is; en (ii) het kredietrisico van de belegging beperkt is, waarbij de waarde van de onderliggende activa voldoende hoog is en het concentratierisico beperkt blijft;
- “liquiditeit” inhoudt dat de activa snel te gelde gemaakt kunnen worden met weinig negatieve gevolgen voor de prijs ervan. Dit houdt in: (i) de vrije overdraagbaarheid van de activa (zonder wettelijke of contractuele beperkingen); (ii) het bestaan van een actieve markt voor deze instrumenten met een diverse groep kopers en verkopers (zelfs in turbulente omstandigheden); en (iii) de publicatie op regelmatige basis van betrouwbare prijsgegevens; en
- “veilig” wil zeggen dat de activa beschermd zijn tegen de verschillende risico's die eigen zijn aan hun aard. Dit vereist dat: (i) de activa te allen tijde afzonderlijk boekhoudkundig identificeerbaar zijn; (ii) de activa op een afzonderlijke effectenrekening worden aangehouden bij een gereglementeerde onderneming die ressorteert onder het recht van een lidstaat, of een bijkantoor in België van een entiteit die ressorteert onder het recht van een derde land; (iii) de activa afzonderlijk aanwijsbaar dienen te zijn; (iv) om de gevolgen van enig wisselkoersrisico te beperken, de instelling moet waken over de risico's die voortvloeien uit beleggingen in activa in andere deviezen die ter bewaring zijn gegeven; (v) de looptijd van de activa moet worden beperkt om het veiligheidsrisico te beheersen. In dit verband raadt de NBB aan de gemiddelde gewogen looptijd van de portefeuille te beperken tot twee jaar; en dat (vi) de door de instelling geselecteerde activa geen financiële instrumenten zijn die gekoppeld zijn aan de instelling zelf of enige met de instelling verbonden vennootschap.
Indien de geldmiddelen gedekt zijn door een verzekering, garantie of waarborg van een verzekeringsonderneming of kredietinstelling naar het recht van een lidstaat of naar het recht van een derde land en met een vestiging in België, preciseert de NBB dat het noodzakelijk is dat:
- de betalingsdienstgebruikers van de Instelling, de begunstigden zijn;
- de betalingsverplichting uit hoofde van de verzekering, garantie of waarborg opeisbaar wordt zodra de Instelling niet langer in staat is haar financiële verplichtingen jegens de betalingsdienstgebruikers na te komen;
- het gedekte bedrag overeenstemt met het hoogste bedrag van alle bedragen die over een periode van drie jaar op het einde van de werkdag volgend op de dag waarop zij zijn ontvangen niet door de Instelling werden overgemaakt aan de begunstigde of een betalingsdienstaanbieder of als gevolg van het gebruik van het elektronisch geld of de terugbetaling ervan.
Gelieve er nota van te nemen dat deze techniek van bescherming door middel van een verzekering, garantie of waarborg een expliciete voorafgaandelijke goedkeuring van de NBB vereist. Bovendien beschouwt de NBB het als een “best practice” dat de contactgegevens van de dossierbeheerder van de verzekeringsonderneming of kredietinstelling waarmee de overeenkomst wordt gesloten, aan haar worden meegedeeld.
De Instellingen moeten uiterlijk op 31 december 2022 aan de bepalingen van deze circulaire voldoen. Ons Banking & Finance team staat tot uw beschikking voor al uw vragen over deze materie.