Ryanair’s tarievengeschil op de luchthaven van Riga belandt voor het hoogste EU gerecht
Een geschil inzake luchthaventarieven op de luchthaven van Riga is voor het Hof van Justitie van de EU beland. Het Hooggerechtshof van Letland heeft immers op 17 maart 2016 de prejudiciële vraag gesteld of deze zaak onder ‘antitrust’ regels valt, dan wel dient te worden bekeken vanuit de reglementering inzake staatssteun.
De oorsprong van het geschil dateert reeds van februari 2012 toen de Letse mededingingsautoriteit oordeelde dat de luchthaven van Riga haar machtspositie had misbruikt door Ryanair veel lagere tarieven toe te rekenen dan andere luchtvaartmaatschappijen en daarbij een boete oplegde van 71.431 EUR.
De luchthaven ging hiertegen in beroep bij de bestuursrechter en wierp in hoofdzaak op dat de overeenkomst met Ryanair mogelijks illegale (maar verenigbare) staatssteun omvatte, maar geen inbreuk maakte op de ‘antitrust’ regels. Ze zou onder druk van de Letse Staat (de enige aandeelhouder van de luchthaven) de overeenkomst met Ryanair zijn aangegaan en zonder de toegepaste lagere tarieven, zou de luchthaven insolvent zijn geworden. Bovendien waren de doelstellingen van de overeenkomst van publiek belang, aldus de luchthaven.
Zij werd hierin niet gevolgd, wat op haar beurt leidde tot een cassatieberoep bij de ‘Augstaka Tiesa’ (Hooggerechtshof van Letland). Volgens de luchthaven dient de staatssteunregelgeving (artikelen 107 en 108 VWEU) te worden beschouwd als een ‘lex specialis’ die voorrang heeft op de ‘antitrust’ regels (artikelen 101 en 102 VWEU).
Het Letse Hooggerechtshof heeft meer moeite om zich uit te spreken over deze kwestie en heeft dan ook de hulp ingeroepen van Europa’s hoogste Gerechtshof. De vragen aan het Hof van Justitie zijn als volgt:
- Kan prijsdiscriminatie tegelijkertijd onder zowel de ‘antitrust’ als de staatssteun regels vallen?
- Is er sprake van een hiërarchie tussen beide?
- Kan een nationale rechtbank zich uitspreken over een mogelijke inbreuk op artikel 102 VWEU (misbruik van machtspositie) als die inbreuk het gevolg is van verleende staatssteun zonder eerst een staatssteun analyse op grond van artikel 108 §3 VWEU te hebben gevoerd?
Aangezien beide domeinen gepaard gaan met afzonderlijke procedures en regels, ben ik in eerste instantie eerder geneigd om te denken dat beide regels van toepassing blijven. Anderzijds volgt uit de rechtspraak dat men niet aansprakelijk kan worden gesteld voor schendingen van het mededingingsrecht die voortvloeien uit een besluit of handeling van de overheid. Het wordt zeer interessant te volgen wat de conclusie van het Hof van Justitie zal zijn, nu deze gevolgen heeft voor de manier waarop gelijkaardige zaken in de EU zullen worden behandeld.
Tenslotte is het nog nuttig te vermelden dat, in januari 2014, de luchthaven van Riga eveneens een klacht heeft ingediend bij de Europese Commissie inzake de mogelijke illegale staatssteun. Het onderzoek is nog steeds gaande.