Open navigation
Zoeken
Vestigingen – Nederland
Ontdek alle kantoren
Wereldwijd bereik

CMS biedt niet alleen deskundig juridisch advies voor lokale jurisdicties, maar werkt ook met u samen om de uitdagingen van wereldwijde zakelijke en juridische omgevingen het hoofd te bieden.

Ontdek ons bereik
Insights – Nederland
Ontdek alle Insights
Zoeken
Expertise
Insights

Onze experts geven uw bedrijf toekomstgericht advies in diverse specialismen en sectoren wereldwijd.

Zoek naar onderwerpen
Vestigingen
Wereldwijd bereik

CMS biedt niet alleen deskundig juridisch advies voor lokale jurisdicties, maar werkt ook met u samen om de uitdagingen van wereldwijde zakelijke en juridische omgevingen het hoofd te bieden.

Ontdek ons bereik
CMS Netherlands
CMS Netherlands Abroad
Insights
Insights per type
Over CMS

Selecteer uw regio

Publicaties 20 nov. 2025 · Nederland

Rechtbank Midden-Nederland: geen franchise, geen huur

4 min lezen

Op deze pagina

In een recente uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland stond de vraag centraal of een franchisegever zowel de franchiseovereenkomsten als de gekoppelde onderhuurovereenkomsten buitengerechtelijk mocht ontbinden. De franchisegever wilde deze overeenkomsten ontbinden vanwege forse betalingsachterstanden bij de franchisenemers. De zaak biedt waardevolle inzichten voor de franchisepraktijk. Het onderscheid tussen de beëindiging van verschillende overeenkomsten wordt duidelijk afgebakend en daarnaast worden richtlijnen gegeven voor de vordering van een goodwillvergoeding door de franchisenemer aan het einde van een franchiseovereenkomst.

In dit artikel bespreken wij het oordeel van de rechtbank.

Uitgangspunten en feiten

Beide franchisenemers exploiteerden een franchiseformule in een pand dat door de franchisegever werd gehuurd en onderverhuurd. Door oplopende achterstanden in huur en franchisefee besloot de franchisegever beide overeenkomsten per aangetekende brief te ontbinden en vorderde daarbij ruim € 183.000 aan achterstallige betalingen. De franchisenemers erkenden de schulden, maar stelden dat de franchisegever tekort was geschoten in zijn zorg- en ondersteuningsverplichtingen en ook niet had gehandeld als goed franchisegever. Zij eisten daarom schadevergoeding. Ook vorderden de franchisenemers een vergoeding voor goodwill.

Oordeel rechter

De rechter oordeelde dat, gelet op de aanzienlijke betalingsachterstanden die alleen maar opliepen, de ontbinding van de franchiseovereenkomsten volstrekt terecht was. De franchisegever had bovendien een ontbindingsclausule in de franchiseovereenkomsten opgenomen en herhaaldelijk betalingsherinneringen gestuurd. Het door de franchisenemers aangevoerde verweer dat de franchisegever onrechtmatig zou hebben gehandeld door de zorgplicht tegenover de franchisenemers niet na te leven werd verworpen, evenals het beroep op handelen in strijd met goed franchisegeverschap. De franchisenemers hebben deze verweren namelijk niet voldoende onderbouwd. Sterker nog, de rechtbank concludeerde dat juist de franchisenemers zich niet als goed franchisenemers hebben gedragen door niet te reageren op sommaties en op deze manier een regeling te frustreren.

Voor de onderhuurovereenkomsten lag dat anders. Volgens de wet is alleen de rechter bevoegd een huurovereenkomst te ontbinden. De buitengerechtelijke ontbinding door de franchisegever had dus geen rechtsgeldig beëindigend effect. Toch beschouwde de rechter de onderhuurovereenkomsten als beëindigd, omdat de franchisenemers akkoord waren gegaan met het einde van de onderhuurovereenkomsten en tijdens de zitting bleek dat zij daarin berustten. De rechtbank overwoog daarbij dat de franchisenemers ook niets meer aan de onderhuurovereenkomsten hadden gezien de ontbinding van de franchiseovereenkomsten. Beide overeenkomsten zijn onlosmakelijk verbonden en partijen zijn overeengekomen dat het gehuurde enkel voor de exploitatie van de franchiseformule van de franchisegever mag worden gebruikt.

Wat betreft de goodwill-claim geeft de rechtbank allereerst aan dat de bepaling in de franchiseovereenkomsten waarin is opgenomen dat de franchisenemers geen recht hebben op goodwill bij het einde van de overeenkomst nietig is omdat deze in strijd is met de Wet franchise. Vervolgens geeft de rechtbank een uitgebreide beschrijving van de goodwillvergoeding in het kader van de Wet franchise. Deze komt er kort gezegd op neer dat vastgesteld dient te worden of goodwill aanwezig is in de onderneming en, als dit zo is, in welke mate deze aan de franchisenemer is toe te rekenen. Daarbij is bijvoorbeeld van belang of de franchisenemer heeft gezorgd voor een uitbreiding van het aantal klanten of transacties gedurende de looptijd door zijn persoonlijke inzet of vaardigheden, of dat de goodwill is toe te rekenen aan (het succes van) de formule in het algemeen. De rechtbank sluit niet uit dat de franchisegever aan de franchisenemers een goodwillvergoeding verschuldigd is, maar kan dat niet vaststellen omdat de franchisenemers hun vordering niet hebben onderbouwd.

Vonnis

De rechtbank veroordeelt de franchisenemers tot betaling van alle openstaande bedragen plus de vergoedingen die verschuldigd waren tot aan de datum waarop de franchiseovereenkomsten zouden zijn geëindigd als deze niet ontbonden zouden zijn. Hiermee werd de franchisegever in de positie geplaatst waarin deze had verkeerd bij correcte nakoming, het zogenaamde positief contractsbelang. De vordering van de franchisenemers tot goodwillvergoeding en schadevergoeding werd afgewezen.

Relevantie vonnis voor de praktijk

Deze uitspraak bevestigt dat een franchisegever de franchiseovereenkomst bij ernstige wanbetaling buitengerechtelijk mag ontbinden, maar voor beëindiging van een huurovereenkomst altijd een rechterlijke uitspraak vereist blijft. De rechtbank hecht daarbij veel belang aan het feit dat beide overeenkomsten onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn. Het is dus van belang voor franchisegevers om dit duidelijk aan te geven in hun franchise- en huurovereenkomsten en deze goed aan elkaar te koppelen. Voor goodwill-claims moeten franchisenemers duidelijk maken welk deel van de goodwill aan hen is toe te rekenen en dit zorgvuldig onderbouwen. Tot slot benadrukt het vonnis dat de zorgplicht van de franchisegever niet oneindig is: franchisenemers kunnen hun eigen tekortschieten niet zomaar afwentelen op de franchisegever.

Meer informatie of advies

Wilt u meer weten of van gedachten wisselen over deze uitspraak voor de franchisepraktijk? Neem dan contact met ons op, wij gaan graag met u in gesprek.

Terug naar boven