Home / Publicaties / Duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau...

Duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau is alleen nog mogelijk bij detailhandel in eerste levensbehoeften

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State past in de uitspraak van 18 september 2013 het criterium aan

07/10/2013

In de uitspraak van 18 september 2013 (201208105/1/R2) heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het criterium voor het aannemen van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau aangepast. Doorslaggevend is of inwoners van een bepaald gebied op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften.

Tegen het realiseren van een nieuwe detailhandelsvoorziening kan een ondernemer in dezelfde branche en hetzelfde marktgebied wel opkomen – een concurrent wordt als belanghebbende aangemerkt - maar concurrentiebelangen op zich spelen vervolgens geen rol in de ruimtelijke ordening. De Wro strekt er niet toe bedrijven tegen de vestiging van concurrerende bedrijven in hun verzorgingsgebied te beschermen, zo overweegt de Afdeling in tal van uitspraken. Pas als er sprake is van een zodanige aantasting van het voorzieningenniveau dat dit leidt tot een ‘duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau’, die niet door dwingende redenen wordt gerechtvaardigd, is er aanleiding om in het kader van een goede ruimtelijke ordening in te grijpen en een besluit waarbij wordt voorzien in nieuwe detailhandelsruimte of een andere voorziening te vernietigen. Dat een nieuwe detailhandelsvoorziening mogelijk zal leiden tot een overaanbod in het verzorgingsgebied of zal leiden tot sluiting van bestaande detailhandelsvestigingen betekent nog niet dat sprake is van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau.

Bepalend daarvoor is, zo heeft de Afdeling geoordeeld in de uitspraak van 10 juni 2009 (2008081221/1/R3), of voor de inwoners van een bepaald gebied een voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij op een aanvaardbare afstand van hun woonplaats hun dagelijkse inkopen kunnen doen. In die uitspraak ging het om een bestemmingsplan voor een winkelcentrum, waarbij ruimte werd geboden aan o.a. twee supermarkten, waartegen door exploitanten van bestaande supermarkten werd opgekomen.

In de uitspraak van 2 december 2009 (200901438/1/R3) ging het niet om dagelijkse boodschappen die in een supermarkt worden gedaan, maar om detailhandelsvoorzieningen voor niet-dagelijkse inkopen. Daarvoor is het criterium, aldus de Afdeling, of de inwoners van het verzorgingsgebied, nadat dit deel van het bestemmingsplan is gerealiseerd, op een aanvaardbare afstand van hun woonplaats hun geregelde inkopen kunnen doen.

In tal van daaropvolgende uitspraken herhaalde de Afdeling, onder verwijzing naar deze twee uitspraken van 10 juni 2009 en 2 december 2009, dat voor de vraag of sprake is van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau geen doorslaggevende betekenis toekomt aan de vraag of sprake is van overaanbod in het verzorgingsgebied en mogelijke sluiting van bestaande detailhandelsvestigingen, maar dat het doorslaggevende criterium is of voor de inwoners van een bepaald gebied een voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij op een aanvaardbare afstand van hun woonplaats hun dagelijkse boodschappen en hun geregelde inkopen kunnen doen.

In de uitspraak van 18 september 2013 past de Afdeling het criterium voor duurzame ontwrichting aan door te bepalen dat dit alleen nog van toepassing kan zijn als het gaat om detailhandel in eerste levensbehoeften. In deze zaak gaat het om een bestemmingsplan, dat o.a. de vestiging van een nieuwe speelgoedzaak (Intertoys) mogelijk maakt, waartegen door een bestaande speelgoedvestiging (Toychamp) wordt opgekomen en waarbij o.a. betoogd wordt dat de vestiging van de nieuwe speelgoedzaak zal leiden tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau. Naar aanleiding hiervan overweegt de Afdeling, dat zij aanleiding ziet om van het criterium zoals bepaald in de uitspraken van 10 juni 2009 en 2 december 2009 af te wijken en voor de beoordeling van de vraag of gevreesd moet worden voor een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau “vanaf heden doorslaggevend te achten of inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften.” De Afdeling is van oordeel dat een speelgoedwinkel naar zijn aard niet bijdraagt aan de mogelijkheid te voorzien in de eerste levensbehoeften. Gelet daarop kan zich in dit geval geen duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau voordoen.

Alhoewel het argument dat sprake is van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau al zelden met succes wordt aangevoerd, heeft de aanpassing van dit criterium door de Afdeling tot gevolg dat op voorhand al vaststaat dat dit niet, althans niet met succes, kan worden aangevoerd als het gaat om bijvoorbeeld de vestiging van bijvoorbeeld een nieuwe speelgoedzaak, bouwmarkt, fitnesscentrum of andere voorziening die niet voorziet in de dagelijkse levensbehoeften.

Auteurs

Erika-SamuelsBrusse-CMS-NL
Erika Samuels Brusse - van der Linden