De rechtbank Den Haag heeft vandaag in een baanbrekend vonnis geoordeeld dat de Staat het EVRM heeft geschonden en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de inwoners van Bonaire. De rechtbank verplicht de Staat tot treffen van bindende en passende maatregelen ter reductie van CO2-uitstoot en tot het doorvoeren van substantiële beschermingsmaatregelen tegen klimaatgerelateerde risico’s.
De rechtsstrijd
Volgens Greenpeace doet de Staat te weinig om zowel de Nederlandse uitstoot te reduceren als de bewoners van Bonaire te beschermen tegen de stijgende zeespiegel, koraalsterfte, extreme hitte en overstromingsrisico’s. Bonaire is een bijzondere gemeente van Nederland die volgens Greenpeace niet gelijkwaardig wordt beschermd ten opzichte van Europees Nederland. Volgens Greenpeace moet de Nederlandse Staat verder gaan dan waartoe internationale afspraken verplichten. Greenpeace vorderde namelijk dat de CO2-uitstoot zo snel mogelijk tot nul wordt gereduceerd, uiterlijk in 2030. Daarnaast vorderde Greenpeace dat de Staat maatregelen treft ter bescherming tegen klimaatrisico's, en vorderde daarmee voor het eerst een verplichting tot klimaatadaptatie. De Staat verweerde zich met een verwijzing naar getroffen maatregelen ter naleving van de EU‑doelen, op grond waarvan de netto-nul uitstoot in 2050 dient te zijn bereikt. Daarnaast wees de Staat op reeds aangevangen adaptatie‑investeringen in Caribisch Nederland.
De uitspraak: nieuwe schakel in keten van klimaatjurisprudentie
Na internationale jurisprudentie, waaronder de Urgenda-uitspraak, de uitspraak van het EHRM in de zaak van de Zwitserse KlimaSeniorinnen en het recente advies van het Internationaal Gerechtshof inzake de verplichtingen van staten om maximale inspanningen te verrichten ter bestrijding van de klimaatcrisis, vormt de uitspraak van vandaag een verdere aanscherping van het juridische kader rond klimaatverplichtingen.
De rechtbank oordeelt dat de Staat in strijd heeft gehandeld met de mensenrechten zoals geformuleerd in het EVRM en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de inwoners van Bonaire. De Staat heeft met zijn beleid onvoldoende bijgedragen aan de maatregelen die wereldwijd moeten worden genomen om de mondiale opwarming van de aarde aan het einde van de eeuw te beperken tot maximaal 1,5 °C ten opzichte van het pre-industriële niveau. Daarbij heeft de Staat te weinig gedaan om de levens van de inwoners van Bonaire te beschermen tegen klimaatrisico's en heeft de Staat ten onrechte de inwoners van Bonaire aan grotere gevaren blootgesteld dan de Europees-Nederlandse bewoners, juist omdat klimaatverandering eerder weerslag heeft op Bonaire.
De rechter beveelt de Staat om binnen 18 maanden heldere reductiedoelen overeenkomstig de Overeenkomst van Parijs te vervatten in nationale regelgeving, waaronder tussentijdse doelstellingen en trajecten voor de reductie van koolstofemissies voor de gehele periode tot 2050, die voldoen aan de in VN-verband gemaakte afspraken. De (resterende) emissieruimte voor Nederland moet inzichtelijk worden gemaakt. Daarnaast beveelt de rechtbank de Staat om te bewerkstelligen dat de in VN-verband geformuleerde targets voor het opstellen en implementeren van een nationaal adaptatieplan, dat ook Bonaire beslaat, uiterlijk in 2030 worden gehaald.
Breder belang en vervolg
Hoewel de rechtbank niet eist dat de Staat ambitieuzer is dan de in EU- en VN-verband gemaakte afspraken, legt zij wél aan de Staat op dat hij wetgeving vervaardigt en maatregelen implementeert die nakoming van die afspraken bewerkstelligen. Dit vonnis kan daarmee uitgroeien tot een belangrijk precedent voor klimaatverplichtingen van de Staat, mogelijk met doorwerking in de internationale sfeer.
CMS houdt de ontwikkelingen en de consequenties van dit vonnis nauwlettend in de gaten.
Baanbrekend: de Nederlandse Staat handelt onrechtmatig tegenover de inwoners van Bonaire