Home / Publicaties / Een redelijk handelend verzekeraar: het vervolg op...

Een redelijk handelend verzekeraar: het vervolg op het Maatman-arrest

22/09/2020

Op 18 augustus 2020 heeft het Gerechtshof Den Haag arrest gewezen in vervolg op het zogenoemde Maatman-arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2018. In het Maatman-arrest vernietigde de Hoge Raad het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 4 april 2017 en gaf de maatstaf op grond waarvan het Gerechtshof Den Haag de zaak moest beoordelen. Inmiddels heeft het Gerechtshof Den Haag, met toepassing van deze maatstaf, uitspraak gedaan. 

Ter achtergrond: Een zelfstandig monteur sluit bij Delta Lloyd een arbeidsongeschiktheidsverzekering af. Bij de aanvraag vult de monteur een gezondheidsverklaring in, waarbij hij alleen knieklachten meldt. De rest van zijn aanzienlijke medische geschiedenis laat hij achterwege. Als de monteur ziek wordt en een beroep doet op zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering, blijkt dat hij de gezondheidsverklaring onvolledig heeft ingevuld. De verzekeraar doet een beroep op verzwijging (artikel 7:928 BW e.v.) en zegt de verzekering op. De verzekeraar stelt dat hij de verzekeringsaanvraag, bij een juiste vermelding van de medische geschiedenis, had afgewezen. In deze zaak is aan de orde hoe de rechter (achteraf) bepaalt wat de verzekeraar zou hebben gedaan.

Op grond van art. 7:928 lid 1 BW heeft een verzekeringnemer een precontractuele mededelingsplicht. Als de verzekeraar de verzwijging ontdekt en de verzekering bij kennis van de ware stand van zaken niet zou hebben gesloten, kan hij de verzekeringsovereenkomst binnen twee maanden na ontdekking van de verzwijging opzeggen (art. 7:929 lid 2 BW) en is hij geen uitkering verschuldigd (art. 7:930 lid 4 BW). De vraag of een verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken de verzekering niet zou hebben gesloten, kwam aan de orde in het zogenaamde Wilhelmina-arrest (HR 19 mei 1978). Hierin heeft de Hoge Raad het criterium ‘de redelijk handelend verzekeraar’ geïntroduceerd.

De monteur vordert uitkering onder de polis en stelt dat "de redelijk handelend verzekeraar" met kennis van de ware medische geschiedenis de verzekering ook had afgesloten. De verzekeraar beroept zich op zijn acceptatiebeleid en stelt dat op basis daarvan geen verzekering zou zijn gesloten.

De kernvraag is: volgens welke maatstaf wordt bepaald wat de verzekeraar zou hebben gedaan als hij wel volledig was ingelicht? Is dit volgens de maatstaf van de redelijke "maatman"-verzekeraar of van de redelijke individuele verzekeraar?

De Hoge Raad oordeelt dat de verzekeraar moet aantonen dat "een redelijk handelend verzekeraar bij bekendheid met de ware stand van zaken de verzekering niet zou hebben gesloten". Als een verzekeraar een acceptatiebeleid hanteert dat afwijkt van dat van een redelijk handelend verzekeraar, kan de verzekeraar zich alleen op dit individuele acceptatiebeleid beroepen "als de verzekeringnemer wist of behoorde te begrijpen welk acceptatiebeleid de verzekeraar hanteerde". Te denken valt aan een verzekeraar die adverteert met een specifiek acceptatiebeleid, zoals Promovendum "Verzekeringen voor hoger opgeleiden".

Na verwijzing door de Hoge Raad resteerde de vraag of een redelijk handelend verzekeraar bij de juiste kennis van zaken een arbeidsongeschiktheidsverzekering met de monteur zou hebben afgesloten. Het hof overweegt dat in dit geval het specifieke acceptatiebeleid van Delta Lloyd geen maatstaf is, omdat onvoldoende gesteld is dat de monteur bekend was of behoorde te zijn met het acceptatiebeleid. Het hof zal dus toetsen aan de maatstaf van een redelijk handelend verzekeraar. Op basis van de door Movir – als rechtsopvolger van Delta Lloyd – overgelegde verklaringen van medisch adviseurs, acht het hof bewezen dat een redelijk handelend verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen arbeidsongeschiktheidsverzekering met de monteur zou hebben afgesloten. 

Het hof heeft zich bij de vraag wat "een redelijk handelend verzekeraar" zou hebben gedaan grotendeels gebaseerd op verklaringen van medisch adviseurs. De rechter zal in toekomstige gevallen waarschijnlijk op zoek gaan naar informatie om te beoordelen wat "een redelijk handelend verzekeraar" zou hebben gedaan. Hier liggen kansen voor partijen om de rechter zo goed mogelijk te informeren en bewijs te bieden op basis waarvan het handelen van "een maatman" kan worden ingeschat.

Mocht u over het voorgaande nog vragen hebben dan kunt u daarvoor uiteraard contact met ons opnemen.

*De vindplaats van het arrest is ECLI:NL:GHDHA:2020:1404.

Auteurs

Annelies Zwart
Advocaat
Utrecht
De foto van Robbert van Brakel
Robbert van Brakel
Advocaat
Utrecht