Op 30 april 2025 heeft Advocaat-Generaal Rantos een interessante conclusie genomen over de toepassing van de inhouse-uitzondering in het aanbestedingsrecht (artikel 12 lid 3 van Richtlijn 2014/24/EU). De zaak biedt het Hof van Justitie de gelegenheid om voor het eerst duidelijkheid te verschaffen over de invulling van het zogenoemde activiteitencriterium.
De AG komt tot een strikte interpretatie van de voorwaarden waaronder overheden taken kunnen toevertrouwen aan gecontroleerde rechtspersonen zonder aanbesteding (de inhouse-uitzondering):
- Toezichtcriterium: Bij complexe structuren met meerdere tussenvennootschappen is indirecte zeggenschap niet voldoende. De AG waarschuwt dat de controle feitelijk én juridisch moet zijn geborgd.
- Activiteitencriterium: Om recht te doen aan de gedachte achter het activiteitencriterium, moet de 80%-drempel worden beoordeeld aan de hand van de geconsolideerde omzet van de groep. Dit voorkomt dat marktactiviteiten kunstmatig worden verspreid over dochters die in feite essentieel zijn voor de uitvoering van de opdracht. Bij het ontbreken van consolidatie kan bij beoordeling van de genoemde drempel een beroep worden gedaan op de begrippen onderneming en economische eenheid in de zin van het mededingingsrecht.
- Toerekening van opdrachten: De relevante activiteiten tellen alleen mee als duidelijk is dat deze daadwerkelijk door de betrokken aanbestedende diensten aan de gecontroleerde rechtspersoon zijn opgedragen.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Deze conclusie onderstreept dat het beroep op de inhouse-uitzondering niet lichtvaardig mag worden gedaan. Samenwerkingen binnen het (semi-)publieke domein moeten transparant en juridisch zorgvuldig worden ingericht, zeker wanneer er sprake is van concernstructuren. Een uitspraak van het Hof van Justitie wordt voor de zomer verwacht.
Contact
Wilt u meer weten of van gedachten wisselen? Neem dan contact met ons op, wij gaan graag met u in gesprek.