Home / Publications / Hoge raad breidt aansprakelijkheid uit van werkgever...

Hoge raad breidt aansprakelijkheid uit van werkgever voor fouten ondergeschikten

10/02/2010

De Hoge Raad heeft op 30 oktober 2009 (Blomaard/gemeente Utrecht) een arrest gewezen over de aansprakelijkheid van de werkgever voor ondergeschikten (in casu een werknemer). Op grond van artikel 6:170 lid 1 BW kan degene in wiens dienst een ondergeschikte zijn taak vervult, aansprakelijk zijn voor schade die de ondergeschikte aan een derde toebrengt. Voorwaarde is onder meer dat de kans op de fout is vergroot door de opdracht tot het verrichten van deze taak. Met andere woorden, er moet sprake zijn van voldoende functioneel verband. In dit arrest vult de Hoge Raad deze voorwaarde nader in.

De casus
Een werknemer was als ambtenaar (monteur/lasser) in tijdelijke dienst geweest van de Reinigings- en Havendienst van de gemeente Utrecht. In 2000 is een collega aan het einde van een pauze, op een tijdstip waarop de werknemer met een kop thee of koffie in zijn handen onderuitgezakt op een stoel zat, achter de werknemer gaan staan. De collega heeft vervolgens de werknemer van achteren vastgepakt. Daarna is de stoel waarop de werknemer zat achterover gekanteld waardoor hij enige tijd op twee poten stond, en de werknemer met zijn volle gewicht aan zijn nek in de armen van zijn collega bleef hangen. De werknemer heeft zich daarna ziek gemeld.

Van belang is dat tussen de werkgever en werknemer niet ter discussie stond dat gevaarlijke 'spelletjes' geen uitzondering waren. Zij waren het echter niet geheel eens over de frequentie daarvan. De gemeente heeft erkend dat zij als werkgever hiervan op de hoogte was.

Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft geoordeeld dat de gemeente op grond van art. 6:170 lid 1 BW aansprakelijk was voor de fout van de collega. De rechtbank overwoog dat het vereiste verband ruim moet worden uitgelegd en afhankelijk is van de waardering van de feiten en omstandigheden waaronder de schade is toegebracht, zoals:

- de greep vond plaats binnen de werksfeer van de gemeente, immers tijdens een pauze in een ruimte die door de gemeente daartoe was ingericht en die werd gebruikt door personeelsleden van de Technische Dienst van de gemeente en die vanaf de werkplaats binnendoor bereikbaar is, alsmede dat deze ruimte in dit geval gelegenheid voor collega's bood om te stoeien.
- de greep speelde zich in de visie van de collega en de gemeente af in de werksituatie omdat volgens hen sprake was van collegiaal stoeien.
- er bestaat een zeker verband tussen de werksfeer en de reden waarom de collega een greep toepaste, nu vaststaat dat de collega op het moment dat hij de greep toepaste, zei: 'als pa zegt dat je blijft zitten, doe dit ook' en 'heb jij een andere baas of zo' waarmee hij schertsenderwijs bedoelde te refereren aan een door hem ten opzichte van de werknemer in te nemen bevoorrechte positie, gezien zijn senioriteit. Hij verwees daarbij naar het recente verleden waarin de werknemer in dienst was van een uitzendbureau.
- de greep werd toegepast in een werkkring waarbinnen volgens de afgelegde getuigenverklaringen een collegiale stoeipartij als normaal werd beschouwd.

Het hof oordeelde echter dat niet met vrucht kan worden staande gehouden dat er sprake was van voldoende functioneel verband.

Volgens de Hoge Raad heeft het hof blijk gegeven van een te beperkte en daarom onjuiste rechtsopvatting omtrent het bepaalde in art. 6:170 lid 1 BW, in het bijzonder met betrekking tot de vraag of de kans op de fout van de ondergeschikte van de gemeente door de opdracht tot het verrichten van zijn taak is vergroot. Bij de beantwoording van die vraag moet volgens de Hoge Raad aan de hand van alle terzake dienende omstandigheden worden onderzocht of tussen de fout van de werknemer en diens werk in dienstbetrekking een zodanig verband bestaat dat de werkgever voor de daardoor veroorzaakte schade aansprakelijk is. Het hof heeft die toets echter niet aangelegd, maar zich beperkt tot de vraag of de kans op de fout is vergroot door een opdracht aan de werknemer tot het verrichten van een 'bepaalde taak'. Het hof heeft de grenzen van art. 6:170 lid 1 BW derhalve te nauw getrokken.

Vervolg op eerdere uitspraak
Deze uitspraak kan worden gezien als een vervolg op een uitspraak van de Hoge Raad van 9 november 2007 (Groot Kievitsdal), waarin de Hoge Raad eveneens oordeelde omtrent de reikwijdte van artikel 6:170 lid 1 BW. In die zaak was er sprake van een bedrijfsuitje waarbij enkele werknemers lampolie op een barbecuerooster hadden gegooid met een grote brand tot gevolg. Ook in dit arrest oordeelde de Hoge Raad dat alle terzake dienende omstandigheden moeten worden meegenomen bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van voldoende functioneel verband. Voorbeelden van dergelijke omstandigheden zijn het tijdstip en de plaats waar de desbetreffende gedraging is verricht. Daarnaast kan dat de aard zijn van die gedragingen en de eventueel door of ingevolge de dienstbetrekking geschapen gelegenheid voor het maken van de fout, dan wel aan de werknemer ter beschikking staande middelen.

Van belang was dat het ging om een bedrijfsuitje waar werknemers louter aanwezig waren omdat zij werknemers waren, en dat de werknemers als een zekere eenheid naar buiten traden en ook als zodanig mochten worden beschouwd, dat een dergelijk feest kan worden geacht mede in het belang te zijn van de saamhorigheid in het bedrijf en de motivatie van de daar werkzame personen. Hierbij komt en dat de feitelijk leidinggevende niet heeft getracht te voorkomen dat olie op de barbecue werd gegooid maar hij door zijn gedrag juist de kans op schade heeft vergroot. Er was dus sprake van de noodzakelijke functionele samenhang tussen de dienstbetrekking waarin de werknemers tot hun werkgever stonden en de door hun gemaakte fout.

Authors

Petra-Knoppers-CMS-NL
Petra Knoppers