Wetsvoorstel provinciale inbesteding vervoerconcessies
Op 24 mei 2024 hebben Tweede Kamerleden De Hoop (Groenlinks-PvdA) en Van Dijk (NSC) een initiatiefwetsvoorstel provinciale inbesteding vervoerconcessies ingediend. Het wetsvoorstel voorziet in een wijziging van de Wet personenvervoer 2000 ("Wp2000") ten aanzien van de verplichting voor provincies om ov-concessies via een openbare aanbesteding te verlenen aan een marktpartij, waardoor provincies daarnaast de mogelijkheid krijgen om het openbaar vervoer via een inbesteding te gunnen aan een eigen, nieuw op te richten, provinciaal vervoersbedrijf.
Inmiddels heeft de Afdeling Advisering van de Raad van State zich over het wetsvoorstel gebogen en is op 16 mei 2025 de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel definitief gepubliceerd. Reden voor ons om het wetsvoorstel te bespreken. In deze signalering gaan wij in op de huidige situatie binnen het Nederlandse openbaar vervoer, het beoogde doel van het wetsvoorstel en de vervolgstappen van het wetgevingsproces.
Huidige situatie openbaar vervoer
Sinds de coronacrisis staat het Nederlandse openbaar vervoer onder druk door stijgende kosten en dalende reizigersaantallen. Provincies kunnen vervoerders niet voldoende compenseren, waardoor kaartjes duurder worden en onrendabele lijnen verdunnen of soms helemaal uit de dienstregeling verdwijnen. Hierdoor verslechtert de bereikbaarheid, vooral in dunbevolkte gebieden waar vervoersalternatieven ontbreken en essentiële voorzieningen minder toegankelijk worden. Verder neemt het aantal marktpartijen dat inschrijft op openbare aanbestedingsprocedures voor ov-concessies af. Het gevolg is dat een gezonde marktwerking ontbreekt. Dit kan leiden tot een neerwaartse spiraal: minder aanbod zorgt voor minder reizigers, wat weer leidt tot een verdere verschraling van het vervoersaanbod.
Beoogde doel
Het doel van het wetsvoorstel is om de stabiliteit, regie en kwaliteit van het openbaar vervoer in Nederland te verbeteren, met name in dunbevolkte gebieden waar het risico op falende marktwerking groter is. De gedachte is dat provincies beter kunnen inspelen op lokale behoeften en economische onzekerheden, wanneer zij de mogelijkheid hebben om ov-concessies in eigen beheer te exploiteren. Dit biedt provincies de kans om onrendabele lijnen toch te behouden en zo de bereikbaarheid van essentiële voorzieningen te waarborgen.
Het wetsvoorstel wijzigt de Wp2000, zodat provincies de mogelijkheid krijgen een ov-concessie via een inbestedingsprocedure in eigen beheer te exploiteren door een provinciaal vervoersbedrijf. Deze inbestedingsmogelijkheid bestaat al voor de vier grootste gemeenten: Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht.
Het wetsvoorstel moet marktpartijen stimuleren om hun service en aanbod te verbeteren, doordat provincies een alternatief achter de hand hebben op het moment dat de markt faalt. De keuze voor een inbesteding is niet volledig vrij. Uitsluitend wanneer een provincie inzichtelijk kan maken dat de markt het gewenste openbaar vervoer niet in dezelfde mate of onder dezelfde voorwaarden kan leveren, mag worden teruggevallen op een inbesteding. Verder moet de provincie voldoen aan de voorwaarden uit de Europese PSO-Verordening. Dit houdt onder meer in dat de provincie zeggenschap moet uitoefenen over het vervoersbedrijf alsof het een eigen dienst is. Ook mag het provinciale vervoersbedrijf niet deelnemen aan (openbare) aanbestedingen buiten het eigen geografische gebied. Tot slot moet de inbesteding gericht zijn op het dekken van de vervoersbehoefte van stedelijke agglomeraties of plattelandsgebieden.
Vervolgstappen wetgevingsproces
De volgende stap is dat het wetsvoorstel met de definitieve memorie van toelichting wordt ingediend bij de Tweede Kamer. Daar vindt eerst een schriftelijke voorbereiding in commissies plaats. Daarna zal een plenair debat plaatsvinden over het wetsvoorstel, waarin de initiatiefnemers het wetsvoorstel verdedigen. Wanneer het wetsvoorstel – al dan niet (deels) in gewijzigde vorm naar aanleiding van ingediende amendementen of moties – door de Tweede Kamer is aangenomen, wordt het wetsvoorstel doorgezonden naar de Eerste Kamer. Daar volgt wederom een traject van schriftelijke behandeling in commissies. De initiatiefnemers moeten ook in de Eerste Kamer hun wetsvoorstel verdedigen. De Eerste Kamer stemt vervolgens over het wetsvoorstel; bij goedkeuring wordt de wet aangeboden aan de Koning voor ondertekening en publicatie in het Staatsblad. Pas na publicatie treedt de wet op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking.
Het is nog onduidelijk hoeveel tijd deze vervolgstappen in beslag gaan nemen, mede gelet op het feit dat het huidige kabinet-Schoof demissionair is en op 29 oktober 2025 nieuwe Tweede Kamerverkiezingen worden gehouden.
Contact
Wij houden deze ontwikkelingen voor u in de gaten. Heeft u vragen over het bovenstaande of over andere aanbestedingsrechtelijke kwesties? Neem dan contact met ons op, wij gaan graag met u in gesprek.