Zoeken

Selecteer uw regio

Wetswijziging geeft verzekeringnemer recht op premierestitutie ondanks precontractuele verzwijging

12 okt. 2023 Nederland 6 min lezen

Wetswijziging artikel 7:930 lid 4 BW: onder bepaalde voorwaarden heeft een verzekeringnemer recht op premierestitutie wanneer de verzekeraar geen uitkering doet wegens precontractuele verzwijging.

Per 1 juli 2023 is het verzekeringsrecht in het Burgerlijk Wetboek op een belangrijk onderdeel gewijzigd (Stb. 2023/57, artikel XI). In de situatie waarin de verzekeraar geen uitkering is verschuldigd in verband met precontractuele verzwijging van de verzekeringnemer, had de verzekeringnemer eerder geen recht op terugbetaling van de betaalde premie. Met de recente wetswijziging is daar verandering in gekomen, en heeft de verzekeringnemer onder bepaalde voorwaarden wél recht op premieterugbetaling.

Precontractuele mededelingsplicht / verzwijging

Vóór het aangaan van de verzekeringsovereenkomst moet de verzekeraar zich een oordeel kunnen vormen omtrent het door de verzekeraar ingevolge de overeenkomst te lopen risico. De daartoe noodzakelijke gegevens moeten door de verzekeringnemer aan de verzekeraar worden verschaft. Deze precontractuele mededelingsplicht voor de verzekeringnemer is geregeld in artikel 7:928 BW. De gevolgen van het niet voldoen aan de in artikel 7:928 BW neergelegde mededelingsplicht door de verzekeringnemer staan in art. 7:929 lid 2 BW (opzegging) en artikel 7:930 BW (geen of slechts een beperkte uitkering).

Op grond van artikel 7:930 lid 4 BW is de verzekeraar "geen uitkering verschuldigd indien de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten". Tot 1 juli 2023 had de verzekeringnemer in een dergelijk geval geen recht op terugbetaling van al betaalde premie. Dat leidde in de praktijk soms tot de onwenselijke situatie waarin de verzekeraar bij schending van de mededelingsplicht door de verzekeringnemer een verzekeringsovereenkomst kon opzeggen op grond van art. 7:929 lid 2 BW en tegelijkertijd niet hoefde uit te keren op grond van art. 7:930 lid 4 BW. Aangezien de verzekeringsovereenkomst tot de opzegging door de verzekeraar overeind bleef, was de reeds betaalde premie niet onverschuldigd betaald terwijl uitkeringen door de verzekeraar niet verschuldigd waren. Met de wetswijziging heeft de wetgever ervoor gezorgd dat die situatie niet meer voorkomt.  

Wijziging artikel 7:930 lid 4 BW

Door de recente wetswijziging is per 1 juli 2023 aan artikel 7:930 lid 4 BW het volgende toegevoegd: "De verzekeringnemer die te goeder trouw heeft gehandeld, is in dit geval evenmin premie verschuldigd. De verzekeraar heeft recht op een billijke vergoeding van de te zijnen laste gekomen kosten."

Kortom, in de situatie waarin de verzekeringnemer niet heeft voldaan aan de precontractuele mededelingsplicht en de verzekeraar geen uitkering is verschuldigd omdat hij bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekeringsovereenkomst zou hebben gesloten, heeft de verzekeringnemer recht op terugbetaling van de reeds betaalde premie. Daarvoor is wel vereist dat de verzekeringnemer te goeder trouw heeft gehandeld, hetgeen door de verzekeringnemer dient te worden aangetoond. Wat precies onder te goeder trouw moet worden verstaan en welk bewijs de verzekeringnemer in dit kader dient te leveren, is in de wettekst noch in de wetsgeschiedenis uitgewerkt. Hoewel in de wetsgeschiedenis wel is opgenomen dat van goede trouw in elk geval geen sprake is bij opzet tot misleiding door de verzekeringnemer, zal (het bewijzen van) de goede trouw bij premierestitutie ongetwijfeld aandacht krijgen in literatuur en rechtspraak. Dat laatste geldt ook voor de invulling van wat een billijke vergoeding is van de kosten die de verzekeraar bij premierestitutie toekomt, zoals ook is opgenomen in het nieuwe lid 4 van artikel 7:930 BW. Wat een billijke vergoeding is, is namelijk evenmin nader gedefinieerd in de wettekst en in de wetsgeschiedenis.

Gevolgen voor de praktijk

De wetswijziging geldt vanzelfsprekend voor verzekeringsovereenkomsten die na 1 juli 2023 worden gesloten. Daarnaast geldt de verplichting tot het terugbetalen van premie ook voor alle gevallen waarin de verzekeraar binnen de duur van reeds lopende verzekeringsovereenkomsten na 1 juli 2023 een schending van de mededelingsplicht ontdekt.

Op grond van artikel 7:943 lid 3 BW is de premierestitutieverplichting uit artikel 7:930 lid 4 BW van semi-dwingend recht. Dat betekent dat in de polisvoorwaarden van de premierestitutieverplichting niet ten nadele van de consument-verzekerde kan worden afgeweken. Bij zakelijke verzekeringen is het dus wel mogelijk om in de polisvoorwaarden overeen te komen dat geen recht bestaat op teruggave van betaalde premie indien een verzekeraar niet uitkeert wegens precontractuele verzwijging.

Denkbaar is dat de verzekeraar gelet op het nieuwe artikel 7:930 lid 4 BW bij een mogelijk beroep op schending van de precontractuele mededelingsplicht en niet uitkeert omdat zij bij kennis van de ware stand van zaken de verzekering niet had afgesloten, zal bekijken wat de omvang van de uitkering is en de omvang van de terug te betalen premie. Betreft het een verzekering waarvoor een aanzienlijke premie is betaald en gaat het om een – in vergelijking met de betaalde premie – gering bedrag waarvoor uitkering wordt gevraagd, dan ligt in de lijn der verwachting dat een verzekeraar zal uitkeren in plaats van een beroep zal doen op schending van de precontractuele mededelingsplicht en artikel 7:930 lid 4 BW. Andersom geldt dit ook. Een verzekeraar zal eerder geneigd zijn een beroep te doen op de precontractuele mededelingsplicht en artikel 7:930 lid 4 BW indien de betaalde premie lager is dan de uitkering.

Bovendien is denkbaar dat een verzekeraar bij een beroep op schending van de precontractuele mededelingsplicht vaker zal stellen dat bij kennis van de ware stand van zaken een hogere premie zou hebben bedongen of de verzekering voor een lager bedrag zou hebben gesloten, of dat de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken andere voorwaarden had gesteld. Op grond van artikel 7:930 lid 3 BW geldt dan dat in die gevallen de uitkering wordt verminderd naar evenredigheid van hetgeen de premie meer of de verzekerde som minder zou hebben bedragen, respectievelijk dat slechts een uitkering verschuldigd is als waren deze voorwaarden in de overeenkomen opgenomen. In beide gevallen bestaat geen premierestitutieverplichting.

De recente wetswijziging onderstreept het belang van het juist en volledig informeren van de verzekeraar voorafgaand aan het sluiten van de verzekeringsovereenkomst door de verzekeringnemer. Gebeurt dat niet, en had de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken in het geheel geen verzekeringsovereenkomst gesloten, dan is dat onwenselijk voor zowel de verzekeringnemer (deze krijgt namelijk geen uitkering) als de verzekeraar (deze dient de betaalde premie terug te betalen).

Nieuwsbrief

Heeft u interesse in onze nieuwsbrieven en uitnodigingen voor events? Schrijf u dan in voor onze nieuwsbrief.

Terug naar boven Terug naar boven
Opent in nieuw venster