Open navigation
Zoeken

De toekomst van aanbesteden (Deel III): uitsluitingsgronden en geschiktheidseisen op de schop en het UEA voorbij

04 sep. 2026 Nederland 18 min lezen

Het aanbestedingsrecht vindt zijn oorsprong in drie Europese richtlijnen: Richtlijn 2014/23/EU (concessies), Richtlijn 2014/24/EU (klassieke overheidsopdrachten) en Richtlijn 2014/25/EU (nutssectoren) (gezamenlijk: "de huidige Aanbestedingsrichtlijnen"). Dit stelsel staat op het punt om gewijzigd te worden. In december 2024 is de Europese Commissie gestart met een herzieningsprocedure. Aanleiding daarvoor is een verslag uit 2023 van de Europese Rekenkamer waarin is geconcludeerd dat de Europese aanbestedingspraktijk tekortschiet vanwege een afname van concurrentie, de beperkte deelname van zowel het mkb als grensoverschrijdende inschrijvers en een toename van enkelvoudige inschrijvingen. Het doel van de herzieningsprocedure is om de aanbestedingsregels te vereenvoudigen, flexibeler te maken en in te zetten voor strategische doelen zoals duurzaamheid, innovatie en economische veiligheid.

De herzieningsprocedure bevindt zich op dit moment in een vergevorderd stadium. Op 9 juli 2026 is een conceptvoorstel uitgelekt van de Europese Commissie voor een nieuwe Verordening inzake overheidsopdrachten en concessies (hierna: "het Conceptvoorstel"). Op basis van het Conceptvoorstel ziet het ernaar uit dat het Europese aanbestedingsrecht ingrijpend gaat veranderen. Of dat daadwerkelijk het geval zal zijn, moet blijken uit het definitieve voorstel waar de Europese Commissie momenteel aan werkt. De publicatie daarvan staat gepland op 9 september 2026. 

In de aanloop naar de publicatie van het definitieve voorstel publiceren wij een reeks artikelen over belangrijke thema's uit het gelekte Conceptvoorstel. In het eerste deel (Deel I) bespraken wij de keuze voor één rechtstreeks toepasselijke Europese verordening. In het tweede (Deel II) bespraken wij de vier nieuwe aanbestedingsprocedures die het Conceptvoorstel introduceert en stonden wij stil bij de wijze waarop concessies, raamovereenkomsten en sociale en andere specifieke diensten volgens het Conceptvoorstel moeten worden aanbesteed. Dit is het derde deel uit deze artikelenreeks. In dit artikel bespreken wij de wijzigingen op het gebied van de verplichte en facultatieve uitsluitingsgronden, de geschiktheidseisen, de regeling voor zelfreinigende maatregelen en het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (hierna: "het UEA"). Daarbij staan wij ook stil bij de wijze waarop inschrijvers onder het Conceptvoorstel het ontbreken van uitsluitingsgronden en het voldoen aan geschiktheidseisen moeten aantonen.

Het huidige uitsluitingsgrondenstelsel van de Aanbestedingswet 2012

Verplichte uitsluitingsgronden

Uit de considerans bij Richtlijn 2014/24/EU volgt dat de verplichte uitsluitingsgronden zijn ingevoerd om te waarborgen dat overheidsopdrachten niet worden gegund aan inschrijvers die zijn veroordeeld voor ernstige strafbare feiten. 

De Aanbestedingswet 2012 (hierna: "Aw 2012") kent in artikel 2.86 een gesloten stelsel van verplichte uitsluitingsgronden. Deze gronden zijn gebaseerd op artikel 57 lid 1 van Richtlijn 2014/24/EU. Een aanbestedende dienst is op grond van artikel 2.86 lid 6 Aw 2012 verplicht een gegadigde of inschrijver uit te sluiten van deelneming aan een aanbestedingsprocedure indien jegens hem een onherroepelijke veroordeling is uitgesproken voor ernstige, strafrechtelijke delicten, zoals deelneming aan een criminele organisatie of omkoping of als een inschrijver geen belastingen heeft betaald of premies heeft afgedragen. 

Facultatieve uitsluitingsgronden 

Naast de verplichte gronden kent artikel 2.87 lid 1 Aw 2012 ook tien facultatieve uitsluitingsgronden. Deze gronden zijn gebaseerd op artikel 57 lid 4 van Richtlijn 2014/24/EU. Bij deze gronden heeft de aanbestedende dienst een discretionaire bevoegdheid om één of meer van deze uitsluitingsgronden van toepassing te verklaren op een aanbestedingsprocedure en, indien van toepassing, een inschrijver op basis daarvan uit te sluiten. Te denken valt in dit kader aan het begaan van ernstige beroepsfouten, het schenden van de mededinging, het afleggen van een valse verklaring of het op oneigenlijke gronden trachten te beïnvloeden van het besluitvormingsproces. 

Zelfreinigende maatregelen

Artikel 2.87a Aw 2012 biedt inschrijvers de mogelijkheid om zelfreinigende maatregelen te nemen. Een inschrijver op wie een uitsluitingsgrond van toepassing is, zowel een verplichte (artikel 2.86 eerste of derde lid Aw 2012) als een facultatieve grond (artikel 2.87 Aw 2012), kan bewijzen dat hij voldoende maatregelen heeft genomen om zijn betrouwbaarheid aan te tonen. Daartoe moet de inschrijver op basis van artikel 2.87a lid 2 Aw 2012 aantonen dat hij:

  1. schade heeft vergoed of heeft toegezegd te vergoeden;
  2. heeft bijgedragen aan opheldering van feiten en omstandigheden door actief mee te werken met de onderzoekende autoriteiten; en 
  3. concrete technische, organisatorische en personeelsmaatregelen heeft genomen om herhaling te voorkomen. 

Indien het bewijs toereikend is, mag de inschrijver niet worden uitgesloten. De aanbestedende dienst beoordeelt de maatregelen met inachtneming van de ernst en de bijzondere omstandigheden van de begane strafbare feiten of fouten; aan de aanbesteder komt in dit kader een ruime beoordelingsmarge toe. 

Termijnen

Voor verplichte uitsluitingsgronden geldt een terugkijktermijn van vijf jaar voorafgaand aan het tijdstip van het verzoek tot deelneming of de inschrijving (artikel 2.86 lid 7 Aw 2012). Voor de meeste facultatieve uitsluitingsgronden geldt een terugkijktermijn van drie jaar (artikel 2.87 lid 2 Aw 2012). 

Het huidige UEA-stelsel van de Aanbestedingswet 2012

De Aw 2012 kent de "eigen verklaring" als het instrument waarmee inschrijvers bij hun verzoek tot deelneming of inschrijving verklaren of uitsluitingsgronden op hen van toepassing zijn en of zij aan de geschiktheidseisen voldoen (artikel 2.84 Aw 2012). De aanbestedende dienst mag in beginsel geen gegevens of inlichtingen op een andere wijze verlangen wanneer die in de eigen verklaring kunnen worden gevraagd (artikel 2.85 Aw 2012).

Het huidige model voor deze eigen verklaring is het UEA, vastgesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/7. Dit UEA is in alle EU-landen op dezelfde wijze toepasselijk. Na indiening van het UEA kan de aanbestedende dienst afzonderlijke bewijsstukken opvragen, zoals een gedragsverklaring aanbesteden (deze mag maximaal twee jaar oud zijn), een uittreksel uit het handelsregister (dit mag maximaal zes maanden oud zijn) en een verklaring van de belastingdienst (deze mag maximaal zes maanden oud zijn). In bepaalde gevallen kan de aanbestedende dienst bewijsstukken rechtstreeks en kosteloos uit een nationale databank verkrijgen (artikel 2.101 en artikel 2.102a Aw 2012).

Het huidige geschiktheidseisenstelsel van de Aanbestedingswet 2012

Geschiktheidseisen vormen onder de Aw 2012 een afzonderlijk instrument naast de uitsluitingsgronden. Waar uitsluitingsgronden betrekking hebben op de integriteit en betrouwbaarheid van de inschrijver, zien geschiktheidseisen op de vraag of de inschrijver in staat is de opdracht uit te voeren. De geschiktheidseisen zijn opgenomen in Afdeling 2.3.6 Aw 2012 (artikel 2.90 e.v.).

Op grond van artikel 2.90 lid 2 Aw 2012 kan een aanbestedende dienst geschiktheidseisen stellen met betrekking tot (a) de financiële en economische draagkracht, (b) de technische bekwaamheid en beroepsbekwaamheid en (c) de beroepsbevoegdheid. De eisen moeten kunnen garanderen dat de inschrijver over de juridische capaciteiten, financiële middelen en technische en beroepsbekwaamheid beschikt om de opdracht uit te voeren. Daarnaast moeten zij verband houden met en in verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht (artikel 2.90 leden 4 en 5 Aw 2012). Voor de financiële en economische draagkracht geldt bovendien een maximumsystematiek: een omzetvereiste mag in beginsel niet hoger zijn dan driemaal de geraamde waarde van de opdracht (artikel 2.90 lid 4 Aw 2012).

De wijze van aantonen verloopt in twee stappen. Inschrijvers verklaren via de eigen verklaring (het UEA) dat zij aan de geschiktheidseisen voldoen (artikel 2.84 Aw 2012). Vóór gunning controleert de aanbestedende dienst de juistheid van die verklaring aan de hand van bewijsstukken, zoals referenties, jaarrekeningen, verzekeringscertificaten, beroepsregisters of certificaten (artikelen 2.101-2.102a Aw 2012). Bewijsstukken die rechtstreeks en kosteloos uit een nationale databank kunnen worden verkregen, hoeven niet afzonderlijk door de inschrijver te worden aangeleverd.

Het huidige stelsel werkt daarmee als een tweetrapsmodel: eerst een voorlopige verklaring via het UEA, daarna een controle aan de hand van bewijsstukken.

Het nieuwe uitsluitingsgrondenstelsel van het Conceptvoorstel

Het Conceptvoorstel brengt ingrijpende wijzigingen aan in het stelsel van uitsluitingsgronden. Hierna bespreken wij de belangrijkste wijzigingen.

Verplichte uitsluitingsgronden (artikel 27 van het Conceptvoorstel)

Artikel 27 van het Conceptvoorstel breidt de lijst van verplichte strafrechtelijke uitsluitingsgronden aanzienlijk uit van zes naar twaalf categorieën. De zes bestaande gronden uit artikel 2.86 Aw 2012 worden behouden, maar daarnaast worden de volgende zes nieuwe categorieën toegevoegd: 

  • strafbare feiten inzake de tewerkstelling van illegaal verblijvende derdelanders (Richtlijn 2009/52/EG);
  • milieustrafbare feiten (Richtlijn 2024/1203);
  • strafbare feiten betreffende de schending van EU-beperkende maatregelen (sancties) (Richtlijn 2024/1226);
  • frauduleus gebruik van niet-contante betaalinstrumenten (Richtlijn 2019/713);
  • strafbare feiten inzake seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen (Richtlijn 2011/93/EU); en 
  • inbreuken op regels inzake ontbossing en bosdegradatie (Verordening 2023/1115). 

De toelichting bij het Conceptvoorstel kwalificeert deze uitbreiding als een samenvoeging van al bestaande verplichtingen uit verschillende EU-instrumenten. Feit is in elk geval dat tot op heden deze nieuwe gronden nog niet zijn geïncorporeerd in het UEA; in zoverre zullen ze voor deelnemers aan aanbestedingen toch nieuw aanvoelen. 

Opmerkelijk is dat drie sectorale uitsluitingsgronden, uit de Verordening inzake afvaltransport (Verordening 2024/1157), de Ecodesign-verordening (Verordening 2024/1781) en de Loontransparantierichtlijn (Richtlijn 2023/970), als zelfstandige verplichte gronden worden geschrapt. Schendingen van deze instrumenten verdwijnen niet, maar worden geabsorbeerd in de facultatieve uitsluitingsgrond voor schending van toepasselijke EU-wetgeving (artikel 28 lid 1 sub a van het Conceptvoorstel), waarover hierna meer.

De belasting- en socialezekerheidsgerelateerde grond wordt in artikel 27 lid 2 van het Conceptvoorstel volledig als verplichte grond aangemerkt. Onder de Aw 2012 was dit deels verplicht (bij rechterlijke of administratieve vaststelling, artikel 2.86 lid 4) en deels facultatief (bij vaststelling met passende bewijsmiddelen, artikel 2.87 lid 1 sub j). Het Conceptvoorstel voegt dit samen in één verplichte grond, hetgeen de transparantie en hanteerbaarheid ten goede komt.

Het Conceptvoorstel introduceert twee uitzonderingen op de overigens in beginsel verplichte uitsluiting. Ten eerste kan de aanbestedende dienst van uitsluiting afzien wanneer dit kennelijk disproportioneel zou zijn, bijvoorbeeld wanneer slechts geringe bedragen onbetaald zijn (de proportionaliteitsuitzondering). Ten tweede kan in uitzonderlijke gevallen ruimte bestaan voor afwijking wegens dwingende redenen van algemeen belang, indien het nationale recht daarin voorziet (artikel 27 lid 3 van het Conceptvoorstel). Voor de strafrechtelijke uitsluitingsgronden geldt een periode van vijf jaar vanaf de datum van het definitieve vonnis, tenzij het vonnis zelf een uitsluitingsperiode bepaalt.

Facultatieve uitsluitingsgronden (artikel 28 van het Conceptvoorstel)

Artikel 28 van het Conceptvoorstel bevat zeven facultatieve uitsluitingsgronden. De aanbestedende dienst kan een inschrijver uitsluiten wanneer:

  • de inschrijver toepasselijke verplichtingen uit relevante EU-wetgeving heeft geschonden;
  • de inschrijver failliet is, in een insolventieprocedure verkeert of in een vergelijkbare toestand verkeert;
  • de inschrijver zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige beroepsfout die zijn integriteit ter discussie stelt;
  • er plausibele aanwijzingen zijn voor mededingingsvervalsende afspraken;
  • de inschrijver aanzienlijke of voortdurende tekortkomingen heeft vertoond bij de uitvoering van een eerdere opdracht;
  • de inschrijver zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige misrepresentatie of heeft getracht onrechtmatige voordelen te verkrijgen; of
  • de inschrijver niet de betrouwbaarheid bezit om risico’s voor de veiligheid en openbare veiligheid van de Unie of lidstaten uit te sluiten.

Ten opzichte van het huidige stelsel vallen drie belangrijke verschuivingen op.

Ten eerste worden belangenconflict en voorafgaande betrokkenheid bij de voorbereiding van de aanbestedingsprocedure geregeld als procedurele bepalingen in de artikelen 89 en 90 van het Conceptvoorstel. Dit is een verschuiving ten opzichte van de huidige regeling in artikel 2.87 lid 1 sub e en f Aw 2012, waarin deze omstandigheden als facultatieve uitsluitingsgronden zijn opgenomen. Uitsluiting is daarbij slechts als laatste middel mogelijk, nadat de inschrijver gelegenheid heeft gekregen om het tegendeel te bewijzen of de verstoring van de mededinging met minder ingrijpende maatregelen te verhelpen.

Ten tweede wordt de facultatieve grond voor schending van toepasselijke verplichtingen aanzienlijk verruimd. Waar artikel 2.87 lid 1 sub a Aw 2012 verwijst naar schending van de in artikel 2.81 lid 2 Aw 2012 genoemde milieu-, sociaal- en arbeidsrechtelijke verplichtingen, verwijst artikel 28 lid 1 sub a van het Conceptvoorstel naar alle relevante EU-wetgeving. Ook de voormalige zelfstandige sectorale gronden voor afvaltransport, ecodesign en loontransparantie worden hierin opgenomen.

Ten derde introduceert het Conceptvoorstel een geheel nieuwe facultatieve grond voor veiligheidsbetrouwbaarheid (artikel 28 lid 1 sub g van het Conceptvoorstel). Deze grond stelt aanbestedende diensten in staat om inschrijvers uit te sluiten wanneer zij op basis van beschikbare informatie, waaronder beschermde gegevensbronnen en beoordelingen van bevoegde nationale autoriteiten, niet de betrouwbaarheid bezitten om risico’s voor de veiligheid en openbare veiligheid van de Unie of lidstaten uit te sluiten.

De memorie van toelichting bij het Conceptvoorstel benadrukt verder dat lidstaten geen aanvullende uitsluitingsgronden mogen toevoegen die uitsluitend berusten op de professionele situatie van de inschrijver. Dat uitgangspunt geldt nu ook al, maar kennelijk bestaat de behoefte dat te benadrukken. Een lidstaat mag bijvoorbeeld geen uitsluitingsgrond invoeren die inschrijvers uitsluit louter omdat zij niet over een bepaalde bedrijfsvorm beschikken of niet in een specifiek beroepsregister zijn ingeschreven. Lidstaten behouden wel de ruimte om andere legitieme gronden toe te voegen, zoals gronden die zijn gerelateerd aan nationale veiligheid. Zo kan de nieuwe veiligheidsbetrouwbaarheidsgrond bijvoorbeeld worden ingeroepen bij een inschrijver die banden heeft met een entiteit op een EU-sanctielijst, of bij een inschrijver die betrokken is bij gevoelige infrastructuur en wiens eigendomsstructuur vragen oproept over buitenlandse invloed. Dat aspect van uitsluiting is zonder meer nieuw.

Zelfreinigende maatregelen

De memorie van toelichting van het Conceptvoorstel stelt: "Self-cleaning measures should not be permitted for mandatory exclusions, while for optional exclusions, which are related to the reliability of the economic operators, they should be able to demonstrate their reliability by means of self-cleaning measures."

Het Conceptvoorstel brengt hiermee een fundamentele wijziging aan in de regeling voor zelfreinigende maatregelen. Onder artikel 2.87a lid 1 Aw 2012 geldt het recht op het aantonen van genomen zelfreinigende maatregelen voor zowel verplichte als facultatieve uitsluitingsgronden. Onder het Conceptvoorstel is het aantonen van zelfreinigende maatregelen bij verplichte uitsluitingsgronden niet toegelaten. Een onherroepelijke veroordeling voor een verplicht uitsluitbare grond leidt daardoor tot een onvoorwaardelijke uitsluiting gedurende vijf jaar, zonder dat de inschrijver de mogelijkheid heeft om zijn betrouwbaarheid aan te tonen.

Voor facultatieve uitsluitingsgronden blijft de regeling voor zelfreinigende maatregelen grotendeels gelijk. De drie herstelmaatregelen — schadevergoeding, actieve medewerking met autoriteiten en concrete technische, organisatorische en personeelsmaatregelen — worden inhoudelijk overgenomen in artikel 28 lid 2 van het Conceptvoorstel. Bij de beoordeling moet bovendien rekening worden gehouden met de aard, omvang en het tijdstip van de samenwerking met de onderzoekende autoriteiten. Een inschrijver die bij definitieve rechterlijke uitspraak is uitgesloten van aanbestedingsprocedures, kan gedurende de door die uitspraak bepaalde uitsluitingsperiode geen beroep doen op genomen zelfreinigende maatregelen.

Termijnen 

Het Conceptvoorstel stelt de maximale uitsluitingsduur voor zowel verplichte als facultatieve gronden vast op vijf jaar. Daarmee verdwijnt de huidige termijn van drie jaar die geldt voor de meeste facultatieve uitsluitingsgronden (artikel 2.87 lid 2 Aw 2012). Een onderscheid blijft bestaan in het aanvangspunt van de termijn: bij verplichte gronden loopt de termijn vanaf de datum van het definitieve vonnis (artikel 27 lid 1 van het Conceptvoorstel); bij facultatieve gronden vanaf de datum van de relevante gebeurtenis (artikel 28 lid 3 van het Conceptvoorstel). De verlenging van drie naar vijf jaar voor facultatieve gronden vormt een significante verzwaring voor inschrijvers.

Van het UEA naar de electronic eligibility service van het Conceptvoorstel

Het Conceptvoorstel wijzigt de bewijsfase van de aanbestedingsprocedure op twee niveaus. Het vervangt het huidige UEA-formulier en het daaropvolgende regime van afzonderlijke papieren bewijsstukken door een digitaal systeem. Die verandering ziet niet alleen op het aantonen van de afwezigheid van uitsluitingsgronden, maar ook, en voor geschiktheidseisen mogelijk nog ingrijpender, op het aantonen dat aan selectiecriteria wordt voldaan. Het bestaande papieren bewijsstukkenregime voor onder meer referenties, jaarrekeningen en certificaten maakt daarmee in beginsel plaats voor digitale verificatie.

De kern van dit nieuwe systeem bestaat uit twee samenhangende instrumenten, die zowel de geschiktheid van inschrijvers als de afwezigheid van uitsluitingsgronden volgens het once-only-principe moeten verifiëren. Gegevens van inschrijvers hoeven in beginsel niet telkens opnieuw te worden aangeleverd wanneer zij al in een gekoppelde bron beschikbaar zijn. Hiertoe voorziet het Conceptvoorstel in een National Public Procurement Data Space (NPPDS) per lidstaat als centraal nationaal toegangspunt voor aanbestedingsgegevens (artikel 130 van het Conceptvoorstel), en een Europese Public Procurement Data Space (PPDS) als centraal opslagpunt voor gegevens van alle lidstaten (artikel 131 van het Conceptvoorstel).

(i) De electronic eligibility service (artikel 129 van het Conceptvoorstel)

Het eerste instrument is de electronic eligibility service (artikel 129 van het Conceptvoorstel). Dit is een door de Europese Commissie op te zetten dienst voor de digitale controle van de geschiktheid van inschrijvers. Artikel 29 lid 1 van het Conceptvoorstel verplicht aanbestedende diensten om deze dienst als bewijsmiddel te gebruiken voor zowel (a) de afwezigheid van uitsluitingsgronden als (b) de naleving van de selectiecriteria (de geschiktheidseisen). Inschrijvers moeten daarnaast via deze dienst hun land van oorsprong aangeven (artikel 29 lid 4 van het Conceptvoorstel).

(ii) De digital business credential tool (artikel 6 sub d en artikel 129 van het Conceptvoorstel)

Het tweede instrument is de digital business credential tool (artikel 6 sub d en artikel 129 van het Conceptvoorstel). Dit is een elektronisch instrument waarmee inschrijvers bewijs inzake uitsluitingsgronden, selectiecriteria, oorsprongsvereisten en andere vereisten kunnen verifiëren, uitwisselen en opslaan. De tool wordt gevoed door gestructureerde gegevens uit nationale en Uniedatabases en kan voor een inschrijver een digitaal bedrijfsprofiel beschikbaar stellen.

Werking van het systeem

Het systeem werkt als volgt. Wanneer de electronic eligibility service voorziet in een geautomatiseerde beoordeling van de afwezigheid van een uitsluitingsgrond of de naleving van een selectiecriterium, is de aanbestedende dienst verplicht op die beoordeling te steunen (artikel 29 lid 2 van het Conceptvoorstel). De verificatie verschuift daarmee van afzonderlijke documenten naar actuele, digitaal uitgewisselde gegevens. Voor geschiktheidseisen betekent dit dat niet langer de afzonderlijke referentie, jaarrekening of certificaat als papieren bewijsstuk centraal staat, maar de digitale verificatie van de onderliggende gegevens.

Wanneer een inschrijver geen toegang heeft tot de digital business credential tool of het relevante bewijs daar niet beschikbaar is, moet hij via de electronic eligibility service een zelfverklaring (self-declaration) afleggen (artikel 29 lid 3 van het Conceptvoorstel). Deze zelfverklaring fungeert als terugvaloptie. De aanbestedende dienst kan in dat geval op ieder moment tijdens de procedure alsnog bewijsstukken verlangen die niet via de dienst beschikbaar zijn, wanneer dat nodig is voor de beoordeling.

Om dit digitale systeem te laten functioneren, moeten de lidstaten gratis toegang bieden tot hun nationale databanken voor de digital business credential tool (artikel 30 van het Conceptvoorstel). Het gaat onder meer om strafregisters, gegevens over de betaling van belastingen en socialezekerheidsbijdragen, insolventieregisters en databanken met bewijs voor selectiecriteria en oorsprong. De Commissie moet eveneens toegang bieden tot haar eigen databanken. Waar mogelijk moeten de koppelingen geautomatiseerde beoordelingen mogelijk maken.

Het digitale systeem heeft bovendien betrekking op oorsprongsvereisten (rules of origin). Inschrijvers moeten hun land van oorsprong via de electronic eligibility service kenbaar maken en, wanneer dat nodig is voor Europese preferentie-eisen, ook het land van oorsprong van de goederen in hun inschrijving of het digitale productpaspoort opnemen (artikel 29 lid 4 van het Conceptvoorstel). Deze toevoeging hangt samen met de strategische autonomiedoelstellingen van de EU, zoals aan bod gekomen in het eerste deel (Deel I) van de artikelenreeks.

Wijzigingen in de geschiktheidseisen

Naast de digitalisering wijzigt het Conceptvoorstel ook de inhoudelijke randvoorwaarden voor geschiktheidseisen. Artikel 37 lid 2 van het Conceptvoorstel bepaalt dat selectiecriteria alleen betrekking mogen hebben op technische en professionele bekwaamheid en op economische en financiële draagkracht. De selectiecriteria worden daarmee anders afgebakend dan de categorieën van artikel 2.90 lid 2 Aw 2012.

Voor de financiële en economische draagkracht wordt de omzetseis aanzienlijk verlaagd. Op grond van artikel 37 lid 6 van het Conceptvoorstel mag de vereiste minimumjaaromzet niet hoger zijn dan 50% van de geraamde waarde van de opdracht, behoudens naar behoren gemotiveerde gevallen. Dat staat tegenover de huidige hoofdregel van maximaal driemaal de geraamde opdrachtwaarde (artikel 2.90 lid 4 Aw 2012).

Daarnaast bepaalt artikel 37 lid 4, derde alinea, van het Conceptvoorstel dat inschrijving op een officiële lijst of certificering geldt als een vermoeden van geschiktheid. Eerdere ervaring met overheidsopdrachten mag op grond van artikel 37 lid 5 van het Conceptvoorstel in beginsel niet als voorwaarde voor deelname worden gesteld, tenzij dit vanwege de complexiteit van de opdracht gerechtvaardigd is. Tot slot mag informatie die uit bestaande nationale databanken, officiële lijsten of certificeringen kan worden afgeleid, niet zonder voldoende rechtvaardiging in twijfel worden getrokken (artikel 37 lid 7 van het Conceptvoorstel).

Overzicht van de belangrijkste wijzigingen

OnderwerpHuidig stelselConceptvoorstel
Verplichte uitsluitingsgronden6 categorieën12 categorieën
Facultatieve uitsluitingsgronden10 gronden7 gronden (met verbreding)
Zelfreinigende maatregelenVerplicht + facultatiefAlleen facultatief
Terugkijktermijn5 jaar / 3 jaar5 jaar voor alle gronden
Bewijsmechanisme uitsluitingsgrondenUEA (papier)Electronic eligibility service
Omzetseis (geschiktheidseisen)Max. 3× opdrachtwaardeMax. 50% opdrachtwaarde
Bewijsmechanisme geschiktheidUEA (papier)Electronic eligibility service + digital business credential tool

Conclusie

Het Conceptvoorstel brengt fundamentele wijzigingen aan in het stelsel van uitsluitingsgronden, geschiktheidseisen en het bewijsmechanisme. De verplichte uitsluitingsgronden worden uitgebreid van zes naar twaalf categorieën, waarmee het bereik van de verplichte uitsluiting aanzienlijk wordt vergroot. De facultatieve uitsluitingsgronden worden vereenvoudigd maar tegelijkertijd verbreed, met een nieuwe grond voor veiligheidsbetrouwbaarheid en een ruimere grond voor schending van EU-wetgeving. De afschaffing van zelfreinigende maatregelen bij verplichte gronden is wellicht de meest ingrijpende wijziging: een onherroepelijke veroordeling leidt voortaan tot een absolute uitsluiting zonder mogelijkheid om betrouwbaarheid aan te tonen.

De harmonisatie van de terugkijktermijn op vijf jaar voor alle gronden betekent een verzwaring voor inschrijvers die onder het huidige stelsel profiteerden van de driejaarstermijn bij facultatieve uitsluitingsgronden. De vervanging van het UEA door de electronic eligibility service en de digital business credential tool markeert een paradigmaverschuiving in de wijze waarop zowel de afwezigheid van uitsluitingsgronden als de geschiktheid van inschrijvers wordt geverifieerd. Voor geschiktheidseisen kan deze verschuiving mogelijk een nog grotere aardverschuiving vormen dan de wijzigingen in de uitsluitingsgronden zelf: het papieren bewijsstukkenregime, met onder meer referenties, jaarrekeningen en certificaten, maakt plaats voor digitale verificatie. De verlaging van de omzetseis naar maximaal 50% van de geraamde opdrachtwaarde is bovendien gunstig voor het mkb, doordat een belangrijke financiële drempel voor deelname wordt verlaagd. Het Conceptvoorstel leidt per saldo tot een strenger uitsluitingsregime, maar ook tot meer uniformiteit en rechtszekerheid in de gehele EU.

Meer informatie of advies

Wilt u meer weten of van gedachten wisselen over de mogelijke gevolgen van de herziening van de huidige Aanbestedingsrichtlijnen voor uw organisatie, of over andere aanbestedingsrechtelijke kwesties? Neem dan contact met ons op, wij gaan graag met u in gesprek.

Terug naar boven Terug naar boven
Opent in nieuw venster