Sinds 1 januari 2025 is het handhavingsmoratorium opgeheven, waarmee de Belastingdienst weer actief handhaaft op schijnzelfstandigheid. Duidelijk is dat het veel teweeg brengt. Uit recente cijfers van de Kamer van Koophandel blijkt dat het aantal stoppende zzp'ers met 47% is toegenomen ten opzichte van een jaar eerder. Het aantal startende zzp'ers is per 1 januari 2025 juist afgenomen met 18%. De grootste afnames zijn te zien in de beveiliging, kinderopvang en de gezondheidszorgsector, met die laatste als sterkste daler.
Ondertussen zijn we drie maanden verder, waarin zich enkele belangrijke ontwikkelingen op het gebied van schijnzelfstandigheid hebben voorgedaan. Hoog tijd dus voor een update. In dit artikel bespreken we de belangrijkste, zijnde de recente uitspraak van de Hoge Raad inzake Uber en de recente politieke visie op schijnzelfstandigheid.
Antwoorden Hoge Raad inzake Uber
De zaak tussen Uber en vakbond FNV is één van de bekendste voorbeelden in de discussie over schijnzelfstandigheid. Zij procederen inmiddels al jaren over de status van de Uber-chauffeurs. FNV stelt dat Uber-chauffeurs feitelijk werknemers zijn en daarmee onder de CAO Taxivervoer vallen. De rechtbank gaf FNV in 2021 gelijk, maar Uber ging in hoger beroep. In plaats van een eindoordeel, stelde het Gerechtshof Amsterdam zogenoemde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Deze vragen zagen op de toepassing van het Deliveroo-arrest van eerder dat jaar.
In het Deliveroo-arrest oordeelde de Hoge Raad dat alle relevante omstandigheden samen moeten worden gewogen bij de beoordeling van een arbeidsovereenkomst. Hierbij noemde zij een aantal gezichtspunten die van belang kunnen zijn bij deze beoordeling, zoals de aard en duur van de werkzaamheden, werktijden en het ondernemerschap van de werkende. Onder meer over dat laatste gezichtspunt is de Hoge Raad gevraagd om verduidelijking.
In februari van dit jaar kwamen de langverwachte antwoorden. Er is bevestigd dat er geen vaste rangorde is tussen de verschillende gezichtspunten. Externe factoren buiten de directe arbeidsrelatie kunnen worden meegenomen in de beoordeling. Hierdoor kan het zo zijn dat twee werkenden die voor een opdrachtgever hetzelfde werk doen, verschillend worden beoordeeld afhankelijk van hun (externe) ondernemerschap: één als zzp'er en één als werknemer. ‘Ondernemerschap’ in de zin van het Deliveroo-arrest heeft betrekking op de algemene (ondernemers)situatie van de werkende. Het ziet eveneens op omstandigheden die zijn gelegen buiten de specifieke verhouding tussen de werkende en de opdrachtgever.
Met de antwoorden van de Hoge Raad kan het Gerechtshof Amsterdam nu beoordelen of de betrokken Uber-chauffeurs daadwerkelijk als schijnzelfstandigen moeten worden aangemerkt. Maar, het belang van deze antwoorden is groter dan alleen de Uber-chauffeurs. Met deze uitspraak wordt meer duidelijkheid verschaft over wanneer een werkende wordt beschouwd als werknemer of als zelfstandige.
Kamervragen en wetgeving: nieuwe ontwikkelingen
Ook in de politiek werd met smart gewacht op de antwoorden van de Hoge Raad. De Belastingdienst had namelijk kort daarvoor in een podcast aangegeven dat zij in de praktijk het criterium ondernemerschap, het onderwerp van de prejudiciële vragen inzake Uber, zelden meewogen om te beoordelen of er sprake is van schijnzelfstandigheid. Naar aanleiding daarvan kwamen er Kamervragen vanuit de VVD.
Kort na de antwoorden van de Hoge Raad hebben de minister van SZW en de staatssecretaris van Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane de Kamervragen beantwoord. De regering heeft hierbij bevestigd dat de Deliveroo-criteria ter beoordeling van een arbeidsovereenkomst holistisch moeten plaatsvinden (lees: alles in onderling verband geoordeeld), zoals de Hoge Raad ook in Deliveroo heeft bepaald. Daarnaast is aangegeven dat het criterium extern ondernemerschap ook wordt meegenomen in het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar).
De minister en staatssecretaris hebben ook benadrukt dat de Belastingdienst zich strikt houdt aan de wetgeving en dus ook aan de recente uitspraak van de Hoge Raad. Daarbij is ook aangegeven dat de Belastingdienst echt streeft naar rechtszekerheid voor zzp'ers. Zolang iemand een echte ondernemer is, heeft de werkende niets te vrezen.
Op 27 maart 2025 is bovendien per kamerbrief bekendgemaakt dat het wetsvoorstel VBAR wordt aangepast om overeen te komen met de uitspraak van de Hoge Raad inzake Uber. De uitspraak verschilt namelijk van de manier waarop het wetsvoorstel VBAR het extern ondernemerschap beoordeelt. In de huidige versie van het wetsvoorstel wordt alleen gekeken naar extern ondernemerschap wanneer de criteria rondom de aansturing van het werk en de criteria over werken voor eigen risico in evenwicht zijn. Met de voorgestelde wijziging wordt het extern ondernemerschap volledig meegewogen, naast de aansturing in het werk en het werken voor eigen risico.
Conclusie
De handhaving en juridische ontwikkelingen op het gebied van schijnzelfstandigheid zorgen duidelijk voor opschudding. Een ding is duidelijk: het is tijd om actie te ondernemen. Het is met de intensievere handhaving sterk raadzaam voor bedrijven en zzp'ers om kritisch te kijken naar hun arbeidsrelaties en waar nodig contracten en werkwijzen aan te passen. Wij denken uiteraard graag met u mee.
Contact
Wilt u meer weten over deze publicatie of van gedachten wisselen? Neem dan contact met ons op, wij gaan graag met u in gesprek.