Heeft de betrokkene op grond van bevrijdende (extinctieve) verjaring een recht van erfpacht verkregen?
Wenk in RN 2025/65, ECLI:NL:RBDHA:2024:221
Een verkrijging door verjaring vindt van rechtswege plaats, maar wordt niet ook automatisch geregistreerd in de Basisregistratie Kadaster. Voor de meeste gevallen van verkrijging door verjaring bestaan twee mogelijkheden om de verkrijging buiten de rechter om in de openbare registers en in de basisregistratie Kadaster geregistreerd te krijgen: het sluiten van een notariële vaststellingsovereenkomst of het (laten) opstellen van een notariële verklaring van verjaring, gevolgd door de inschrijving van die stukken in de openbare registers van het Kadaster. Met de inschrijving wordt slechts de pretentie van verjaring kenbaar gemaakt, de inschrijving op zich leidt niet tot het bewijs dat aan de vereisten voor verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring is voldaan.
Een vaststellingsovereenkomst is geschikt als de betrokkenen het er met elkaar over eens zijn dat een verkrijging door verjaring heeft plaatsgevonden. Voordeel is dat de betrokken notaris geen eigen oordeel hoeft te vormen als partijen via een vaststelling de verjaring willen regelen. Bij het opmaken van een notariële verklaring op verzoek van een betrokken partij is dat anders. Deze verklaring is een notariële akte waarin de notaris verklaart dat naar de verklaring van degene die de inschrijving verlangt verjaring is ingetreden (art. 34 Kadasterwet) en -onder meer- dat de verjaring wordt betwist of niet wordt betwist door degene tegen wie zij werkt, zo dit bekend is. Op grond van art. 37 Kadasterwet dient de notaris daarbij voorts te verklaren a) hetzij dat alle partijen bij het in te schrijven feit aan de notaris hebben medegedeeld met de inschrijving in te stemmen, b) de bewijsstukken die aan hem zijn overlegd aan de verklaring hechten, die voldoende aantonen dat het in te schrijven feit zich inderdaad heeft voorgedaan of c) hetzij dat hij niet aan het onder a) of b) gestelde kan voldoen. In dat laatste geval geeft de notaris deze negatieve verklaring op. Gevolg van de verklaring onder sub c) is dat de bewaarder van het Kadaster de verklaring dan in het register van voorlopige aantekeningen boekt. Een wijziging van de tenaamstelling vindt dan niet plaats. Inschrijving van de verklaring kan in dat geval alleen op bevel van de rechter plaatsvinden; de rechter zal beslissen of de verklaring van verjaring voldoende betrouwbaar lijkt voor inschrijving in de openbare registers. Opmerkelijk is dat van de notaris wordt verwacht dat hij in de verklaring een juridisch oordeel uitspreekt. De notaris zal immers moeten beoordelen of het beroep op verjaring voldoende onderbouwd is.
Te lichtvaardig meewerken aan de inschrijving van een verklaring van verjaring kan bij de notaris tot aansprakelijkheid leiden aangezien hem een onrechtmatige daad kan worden verweten als later blijkt dat geen verjaring heeft plaatsgevonden. Om deze reden zijn notarissen doorgaans terughoudend om mee te werken aan het opmaken van een notariële verklaring van verjaring in het geval niet alle belanghebbenden hieraan mee wensen te werken.
Jasper Kampherbeek en Mariëlle de Blok zijn redactioneel medewerker van het tijdschrift Rechtspraak Notariaat (RN).