Home / Publicaties / Vertegenwoordiging. Zaakwaarneming. Wenk onder Hof...

Vertegenwoordiging. Zaakwaarneming. Wenk onder Hof Amsterdam, 8 april 2019

07/02/2020

Robbert van Brakel is redactioneel medewerker van het tijdschrift Rechtspraak Ondernemingsrecht (RO).

Zijn de minderheidsaandeelhouders met een beroep op zaakwaarneming bevoegd om de vennootschap te vertegenwoordigen?

Wenk in RO 2020/3, ECLI:NL:GHAMS:2019:4053

In deze procedure hebben de minderheidsaandeelhouders namens de vennootschap waarin zij aandelen houden (X) een verlof aangevraagd om beslag te leggen ten laste van de meerderheidsaandeelhouders. Het verzoek is door zowel de voorzieningenrechter als het hof afgewezen. 

Een van de meerderheidsaandeelhouders is ook bestuurder van X. De minderheidsaandeelhouders stellen namens X dat de meerderheidsaandeelhouders en de bestuurder van X een corporate opportunity van X hebben ondergebracht bij een door de meerderheidsaandeelhouders nieuw opgerichte BV en daardoor onrechtmatig handelen jegens X. De bevoegdheid om X te vertegenwoordigen baseren de minderheidsaandeelhouders op zaakwaarneming. Daarmee proberen de minderheidsaandeelhouders het dwingendrechtelijke bevoegdheidsregime van Boek 2 BW te omzeilen. Uit het bevoegdheidsregime volgt dat het bestuur de vennootschap vertegenwoordigt (art. 2:240 BW). Het bestuur wenst niet over te gaan tot het instellen van de door minderheidsaandeelhouders gestelde vordering. 

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 april 1996 bepaald dat behoudens uitzonderlijke omstandigheden, belangenbehartiging tegen de wil van degene wiens belang wordt behartigd niet kan gelden als zaakwaarneming in de zin van art. 6:198 BW. Een voorbeeld van een uitzonderlijke omstandigheid zou kunnen zijn de aanwezigheid van een noodsituatie (Rb. Oost-Nederland 23 januari 2013, ECLI:NL:RBONE:2013:BZ1092). Overigens werd in laatstgenoemde zaak het beroep op zaakwaarneming afgewezen omdat van een noodsituatie niet was gebleken. 

De voorzieningenrechter en het hof overwegen dat het bestuur, de raad van commissarissen en de algemene vergadering van X wel in staat zijn rechtsmaatregelen te treffen, althans maatregel te treffen die tot het ten gelden maken van gestelde vordering kunnen leiden, maar daartoe niet wensen over te gaan. De door de minderheidsaandeelhouders aangevoerde 'uitzonderlijke omstandigheden' waren erin gelegen dat X bij de aanvaarding van zaakwaarneming is gediend omdat de door minderheidsaandeelhouders veronderstelde wil van X niet parallel loopt met de wil van het bestuurder, de raad van commissarissen en de algemene vergadering. Volgens het hof is dit mede gelet op het dwingendrechtelijke bevoegdheidsregime niet voldoende om het beroep op zaakwaarneming te honoreren. 

Uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat minderheidsaandeelhouders die het niet eens zijn met het beleid en het handelen van het bestuur niet met een beroep op zaakwaarneming de vennootschap kunnen vertegenwoordigen. Indien dit anders zou zijn, dan zou daarmee de dwingendrechtelijke bevoegdheidsverdeling via de achterdeur worden doorbroken. Eventueel hadden de minderheidsaandeelhouders de gedragingen van de meerderheidsaandeelhouders en het bestuur via de enquêteprocedure aan de kaak kunnen stellen of in eigen naam een beslagrekest kunnen indienen. Na de enquête zou bijvoorbeeld een nieuwe bestuurder kunnen worden benoemd die gewapend met de bevindingen van de onderzoekers namens de vennootschap een 2:9 BW vordering kan instellen en op die manier de schade kan claimen van de bestuurder. 

Het is verder denkbaar dat de meerderheidsaandeelhouders en het bestuur rechtstreeks onrechtmatig hebben gehandeld jegens de minderheidsaandeelhouders. Daarvoor dient dan wel de horde van de afgeleide schade te worden genomen en er zou gesteld moeten worden dat de meerderheidsaandeelhouders rechtstreeks een specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens de minderheid hebben geschonden. De onrechtmatige daad zou er dan in bestaan dat een specifiek jegens de minderheidsaandeelhouders in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm is geschonden doordat de meerderheid bewust en zonder enige rechtsgrond de minderheid buiten spel heeft gezet bij het benutten van een corporate opportunity met het doel de minderheidsaandeelhouders te benadelen. 

Auteurs

De foto van Robbert van Brakel
Robbert van Brakel
Advocaat
Utrecht