CMS wint zaak voor AVR bij HvJ over inhouse-uitzondering in aanbestedingsrecht
Het Hof van Justitie (zaak C-692/23) heeft op 16 januari 2026 uitspraak gedaan in de zaak van AVR over de voorwaarden voor een onderhandse gunning binnen de publieke sector (de inhouse-uitzondering). De inhouse-uitzondering vereist onder meer dat minimaal 80% van de activiteiten van een entiteit worden uitgevoerd voor de betrokken overheid. CMS heeft AVR in deze procedure bijgestaan en bepleitte het standpunt dat de activiteiten van de groep waartoe de entiteit behoort, ook relevant zijn voor het bepalen van de 80%.
Het Hof heeft het standpunt van AVR gevolgd en verduidelijkt dat wanneer een overheid een opdracht rechtstreeks (zonder aanbestedingsprocedure) gunt aan een eigen gecontroleerde entiteit niet alleen naar de activiteiten en omzet van die ene entiteit moet worden gekeken, maar óók naar de activiteiten en omzet van de andere vennootschappen die behoren tot dezelfde groep. Een kunstmatige opsplitsing of verschuiving van activiteiten binnen de groep is dus geen manier om de aanbestedingsregels te omzeilen. Dit sluit aan bij het doel van het aanbestedingsrecht: het voorkomen van concurrentievervalsing en het borgen dat alleen in echte inhouse-situaties zonder aanbesteding mag worden gegund.
Deze uitkomst is belangrijk voor overheden en (semi)publieke uitvoeringsorganisaties, maar ook voor private partijen (zoals AVR) die nadeel van de onderhandse gunningen ondervinden. Het Hof bevestigt dat voor een onderhandse gunning aan strikte voorwaarden moet worden voldaan en dat daarbij de economische werkelijkheid van de hele groep doorslaggevend is.
Bekijk de uitspraak: InfoCuria - Cour de justice de l’Union européenne