Onlangs heeft de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen een uitspraak gedaan over de vervaltermijn van §12 lid 4 UAV (RVA 18 november 2021, nr. 37.197). De uitspraak laat zien hoe verraderlijk en definitief een vervaltermijn kan zijn.
Wat was er aan de hand?
Opdrachtgever had met aanneemster een aannemingsovereenkomst gesloten met betrekking tot een vrijstaande woning. De woning is op 16 juli 2014 opgeleverd. In eerste instantie lijkt er niets aan de hand, maar medio 2017 ontstaan klachten met betrekking tot het stucwerk. De opdrachtgever, (kennelijk) een particulier, heeft geklaagd bij aanneemster, waarop aanneemster herstel heeft uitgevoerd. Over de omvang van het herstel verschillen de meningen: volgens opdrachtgever is op verschillende momenten en op veel plekken herstel uitgevoerd, terwijl aanneemster stelt dat slechts een klein plekje aan het plafond in de keuken is hersteld. Hoe dan ook, de problemen lijken verleden tijd. Tot maart 2020, wanneer opnieuw stucwerk los blijkt te zitten. Opdrachtgever laat een deskundige onderzoek doen, waaruit blijkt dat het stucwerk in de hele woning niet goed is aangebracht (vlg. r.o. 10). Op 2 september 2020 heeft opdrachtgever aanneemster in gebreke gesteld en gesommeerd het gebrek te herstellen. Dat doet aanneemster niet. In de daaropvolgende procedure stelt aanneemster zich op het standpunt dat opdrachtgever de vordering te laat heeft ingesteld en opdrachtgever om die reden niet-ontvankelijk is.
Wat is het oordeel?
In deze zaak staat vast dat het verkeerd aangebrachte stucwerk kwalificeert als een verborgen gebrek als bedoeld in § 12 lid 2 UAV 1989. De vraag is of opdrachtgever op tijd de rechtsvordering ingesteld heeft. Op grond van § 12 lid 4 UAV 1989 vervalt de rechtsvordering uit hoofde van een verborgen gebrek indien niet binnen vijf jaar na de oplevering een procedure aanhangig is gemaakt. Dit is een vervaltermijn, wat betekent dat de termijn niet gestuit kan worden. In deze zaak verliep de termijn op 16 juli 2019. De procedure is dus duidelijk te laat ingesteld. Maar hoe zit dat dan met de melding in maart 2020 en de uitgevoerde herstelwerkzaamheden? Het lijkt logisch dat de termijn voor een hersteld gebrek anders is. Dat is ook zo, de arbiter zegt hierover (r.o. 13):
"Volgens vaste rechtspraak van de RvA kan een nieuwe vervaltermijn intreden. Daartoe is in elk geval vereist dat binnen de vervaltermijn substantieel herstel van een gebrek heeft plaatsgevonden en dat het gebrek zich desondanks weer voordoet."
Opdrachtgeefster verkeerde na de herstelwerkzaamheden in 2017 in de veronderstelling dat het gebrek hersteld was. Toch is dat niet voldoende voor een nieuwe vervaltermijn. Vanwege de betwisting van aanneemster, is het aan opdrachtgever om aan te tonen dat er in 2017 substantieel herstel is uitgevoerd. Weliswaar staat vast dat er in 2017 een plek van 0,2 m2 hersteld is, maar op een totaal van 200 m2 stucwerk is dat onvoldoende om van substantieel herstel te spreken.
Wat betekent dit voor de praktijk?
De vervaltermijn is naar zijn aard alles of niets. In deze zaak blijft opdrachtgever daardoor met lege handen achter, ook al is er duidelijk sprake van een gebrek waarover eerder geklaagd is en zijn herstelwerkzaamheden uitgevoerd. Had opdrachtgever deze situatie kunnen voorkomen? Waarschijnlijk wel. Als opdrachtgever in 2017 aanneemster schriftelijk had gesommeerd het gebrek te herstellen en de werkzaamheden van aanneemster vastgelegd had, was het beroep op een nieuwe vervaltermijn in elk geval een stuk kansrijker. In zoverre is deze uitspraak een bevestiging van het adagium 'wie schrijft, die blijft'.
Mocht u nog vragen hebben naar aanleiding van het voorgaande of over een andere bouwrechtelijke kwestie, dan kunt u uiteraard contact met ons opnemen.