De beoordeling van arbeidsrelaties staat al enige tijd volop in de belangstelling door een aantal recente ontwikkelingen. Per 1 januari 2025 is het handhavingsmoratorium op de Wet DBA opgeheven, waardoor de Belastingdienst weer actief controleert op schijnzelfstandigheid. Op 21 februari 2025 volgde de Uber/FNV-uitspraak van de Hoge Raad, waarin werd geoordeeld dat bij de kwalificatie van de arbeidsrelatie het ondernemerschap van de werkende daadwerkelijk verschil kan maken. Vervolgens kondigde het kabinet op 27 maart 2025 aan dat het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoedens (VBAR) wordt aangepast om deze lijn te volgen. Extern ondernemerschap wordt daarin een volwaardig beoordelingscriterium, gelijk aan bijvoorbeeld gezag of inbedding in de organisatie.
In onze eerdere publicaties (“Hoge Raad en politiek geven nadere duiding in zzp-discussie” en "Schijnzelfstandigheid en pensioengevolgen") bespraken wij deze ontwikkelingen en de juridische context. In deze bijdrage bespreken we wat deze veranderingen concreet betekenen voor de werkgever of HR-professional, en welke acties nu nodig zijn.
Ontwikkeling van het gezichtspunt 'ondernemerschap'
De Hoge Raad bevestigde in 2023 in het Deliveroo-arrest dat de kwalificatie van een arbeidsrelatie afhangt van een holistische beoordeling. Dat betekent: een beoordeling waarbij naar alle omstandigheden van het geval in samenhang wordt gekeken. De rechter bekijkt de zaak vanuit meerdere invalshoeken, waaronder de mate van gezag die de opdrachtgever heeft, inbedding van de werkzaamheden die de werkende verricht binnen de organisatie en – belangrijk voor deze context – de mate waarin de werkende zich als ondernemer gedraagt. De Hoge Raad heeft het gezichtspunt van ‘ondernemerschap’ in februari van dit jaar verder ingekleurd in het Uber/FNV-arrest. De centrale vraag was of bij het beoordelen van ondernemerschap alleen moet worden gekeken naar de samenwerking tussen werkende en opdrachtgever (intern ondernemerschap), of dat ook andere factoren buiten die specifieke relatie meetellen (extern ondernemerschap). Externe factoren die wijzen op een vorm van ondernemerschap zijn bijvoorbeeld het aantal opdrachtgevers, een eigen website, een KvK-inschrijving of investeringen in het eigen bedrijf.
De Hoge Raad is in het Uber/FNV-arrest duidelijk: ook externe omstandigheden zijn relevant bij het beoordelen van ondernemerschap. Daarmee wordt bevestigd dat de juridische kwalificatie van de arbeidsrelatie mede kan afhangen van gedrag dat zich buiten de opdrachtrelatie afspeelt. Bovendien stelt de Hoge Raad expliciet dat er geen rangorde is tussen de verschillende beoordelingscriteria. Het ondernemerschap van de werkende weegt net zo zwaar mee als andere factoren, zoals gezagsverhouding, inbedding in de organisatie of het lopen van financieel risico. Dat betekent dat organisaties het hele plaatje moeten overzien en moeten vastleggen. Er kan niet slechts worden volstaan met de modelovereenkomst van de belastingdienst als afvinklijst.
Wat betekent dit in de praktijk
De uitspraak in Uber/FNV brengt mee dat ondernemerschap niet langer als ondergeschikt kan worden beschouwd bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een arbeidsrelatie of niet. Extern ondernemerschap weegt even zwaar mee als andere criteria zoals gezag (werksturing) en of de werkende commercieel risico loopt.
Deze ontwikkeling verruimt het beoordelingskader. De opdrachtgever kan niet alleen kijken naar hoe het werk wordt uitgevoerd, maar zal mede in ogenschouw moeten nemen of de werkende functioneert als ondernemer. Dit vereist ook meer informatie over de werkende en dus meer onderzoek voor de opdrachtgever. Cijfers, contracten en zakelijke documenten krijgen meer gewicht. In de Kamerbrief van 27 maart 2025 wordt erkend dat gegevens over het ondernemerschap van een werkende – zoals btw-administratie- of acquisitie-inspanningen – niet altijd voor de opdrachtgever ter beschikking staan. Dit maakt de toetsing nog complexer.
De beoogde VBAR-wetgeving bouwt voort op deze inzichten. Waar het oorspronkelijke wetsvoorstel nog een voorzichtige toepassing van extern ondernemerschap kende (alleen meewegen bij twijfel), heeft het kabinet inmiddels aangekondigd dat dit criterium voortaan een volwaardige rol krijgt in de afweging. Daarmee lijkt de wetgever de lijn in de rechtspraak te willen codificeren.
Wat kunt u doen?
Ons advies is om het zekere voor het onzekere te nemen en zoveel mogelijk aan te sluiten bij de overwegingen van de Hoge Raad. Daarom bevelen wij aan om de volgende punten in acht te nemen:
- Evalueer bestaande zzp-contracten opnieuw en neem daarbij het ondernemerschap van de opdrachtnemer mede in overweging. Als dat leidt tot andere conclusies over zelfstandigheid, adviseren wij dat schriftelijk vast te leggen. Goedgekeurde model- of samenwerkingsovereenkomsten kunnen behulpzaam zijn om onduidelijkheden en risicovolle bepalingen (zoals verplichte werkroosters, werkuren of een vaste werkplek) te voorkomen.
- Zorg ervoor dat uw zzp'ers ook daadwerkelijk zelfstandig opereren en maak dit expliciet in correspondentie. Geef waar mogelijk meer vrijheid aan zzp’ers. Werk met functionele afspraken (wat wél moet gebeuren) in plaats van procedurele aanwijzingen (hoe en wanneer).
- Beperk directe instructies over werktijden, werkmethoden of verplichte aanwezigheid. Is dat onmogelijk, dan zal de werkrelatie kwalificeren als arbeidsovereenkomst.
Contact
Voor meer informatie over de praktische implicatie van VBAR en Uber/FNV voor werkgevers, kunt u uiteraard contact met ons opnemen. Wij denken graag met u mee.