Home / Publicaties / Ministers van Sport willen 6+5

Ministers van Sport willen 6+5

09/12/2008

Recent schreef ik hier dat het een gemiste kans van de Staatssecretarissen Timmermans (Europese Zaken) en Bussemaker (VWS) was om geen werkelijke keuze te maken in een pleidooi om sport op onderdelen vrij te stellen van het gemeenschapsrecht.

Hoewel ik van een dergelijk pleidooi weinig verwacht, gezien het standpunt van de Europese Commissie, zou je van de voorstanders van een vrijstellingenbeleid verwachten dat ze met duidelijke aanbevelingen aan de Europese Commissie komen. Die aanbevelingen bleven tot voor kort uit en ik vond dat een gemiste kans. Dit sloeg met name op de discussie over de 6+5-regel versus de regel inzake de home-grown player.

Inmiddels is duidelijk geworden dat de 27 ministers van Sport van de lidstaten een verzoek zullen richten tot de Europese Commissie om te onderzoeken of de 6+5-regel toch kan worden ingevoerd. Daartoe werd eind november tijdens een informele bijeenkomst in Biaritz een gezamenlijke verklaring ondertekend.

Bussemaker had voorafgaande aan deze informele bijeenkomst al te kennen gegeven de Europese Commissie te zullen verzoeken om meer duidelijkheid vooraf. Daarmee wordt ondersteuning aan de sport geboden in haar visie ten aanzien van de vraag of en welke sportregels verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht. Bussemaker en de andere ministers van Sport vragen de Europese Commissie nu om het vrije verkeer van werknemers ten gunste van de sport te beperken. Het verzoek ziet formeel op quota voor alle sporten, maar het verzoek slaat toch voornamelijk op de beoogde invoering van de 6+5-regel in het voetbal.

Zoals ik al eerder aangaf (zie mijn artikel in het FD van 2 januari 2008) geef ik het initiatief van de ministers weinig kans van slagen wanneer daar niet meer en een andere onderbouwing aan wordt gegeven dan tot op heden het geval is.

Ook in de Volkskrant van 8 december 2008 wordt de 6+5-regel nader onder de loep genomen en wordt onder meer ook Staatssecretaris Timmermans geïnterviewd. Ook nu weer wordt er geen duidelijke richting gekozen waarom de 6+5-regel dan wel de home-grown player-regel zou moeten worden ingevoerd.

De Europese Commissie is steeds duidelijk geweest in haar standpunt dat voor de sport geen vrijstellingen zullen worden verleend en de door Bussemaker gewenste duidelijkheid vooraf wordt haar in feite nu al geboden: de 6+5-regel is in strijd met de regelgeving inzake het vrije verkeer van werknemers. De regel is immers min of meer een her-invoering van de regelgeving die gold vóór het Bosman-arrest en waarmee het Europese Hof korte metten heeft gemaakt.

Meer kans van slagen lijkt de 6+5-regel te hebben wanneer er een duidelijke onderbouwing komt van de reden waarom deze regel voor de sport en met name voor het voetbal noodzakelijk is. Zou de regel aantoonbaar een einde kunnen maken aan de maatschappelijk ongewenste situatie van handel in jonge voetballers, met alle sociale gevolgen van dien, dan zou naar mijn mening de 6+5-regel nog het best kans van slagen kunnen hebben. Aangetoond moet dan worden, dat de invoering beter dan welke andere regelgeving een einde kan maken aan de maatschappelijk en sociaal ongewenste gevolgen van de hiervoor genoemde handel.

Er wordt wel beweerd dat de home-grown player-regel datzelfde effect heeft, maar het gevaar bestaat dat, om aan het criterium van “home-grown” te voldoen, kinderen op steeds jongere leeftijd met hun familie en hele hebben en houwen tegen lucratieve aanbiedingen naar buitenlandse clubs worden verleid. Het zou kunnen  -en daarop zou het onderzoek door de Europese Commissie zich derhalve moeten richten-  dat die ongewenste praktijken met de 6+5-regel voorkomen kunnen worden. Zo’n regel zou dan een objectief doel moeten dienen en proportioneel moeten zijn. Het Europese Hof heeft in de zaak Meca-Medina van 17 juli 2007 op basis van die criteria bijvoorbeeld de dopingregelgeving in overeenstemming met het gemeenschapsrecht beoordeeld.

Auteurs

De foto van Dolf Segaar
Dolf Segaar
Partner
Amsterdam